*Winactie gesloten* Win Beslist geen moordkuil van Saskia Jansen Storyteller!

Het is ijzig koud dus wij hebben lekker warm binnen gekeken naar alle gifjes en gecheckt of ook stap één was ondernomen…. En ja hoor daar is een winnaar uitgekomen:

Yvonne Kamps gefeliciteerd!!!

Jij mag ons een mailtje sturen naar Samenlezenisleuker@gmail.com met je adres gegevens en dan zullen wij zorgen dat dit bij Saskia terecht komt. Het enige wat jij daarna hoeft te doen is geduldig wachten op de pakjesmeneer! (ongeduldig mag ook 🤪)

Wij bedanken Saskia Jansen Storyteller nogmaals voor deze prachtactie! Niet gewonnen? Ren dan gewoon lekker naar de boekhandel, krijg je het nog warm van ook…. 🤗

Vertelden wij afgelopen week nog dat het boek met de verhalen van Saskia Jansen Storyteller overal te koop is,  en dan maak je nu ook gewoon kans bij ons op dit boek! Super toch?!

Moordkuil

Wat moet je daarvoor doen? Nou dat zullen wij eens even vertellen 😉

1: Like de Facebookpagina van Saskia via onderstaande link:

Saskia Jansen Storyteller

2: Reageer in onze Facebookgroep Samenlezenisleuker onder deze winactie met je leukste honden-gifje 😀

Geen verplichting maar het zou wel erg gaaf zijn als je dit openbaar zou willen delen op je tijdlijn. Even naar onderen scrollen en dat kan dan heel gemakkelijk via het Facebookicoontje.

Nou dat was het alweer…. piece of koekie toch? Let’s do this en wij zeggen: succes allemaal want wij hebben het al in ons bezit en hij is gaafff. Saskia een hele dikke dank voor deze geweldige actie!!

Vrijdag 2 maart zullen we de gelukkige winnaar bekend maken, whoohoooo.

Over Beslist geen moordkuil:

Saskia Jansen (1976) is een hardwerkende moeder en echtgenote die zichzelf omschrijft als dromenjager en dierenliefhebster pur sang.

In Beslist geen moordkuil geeft zij de lezer een kijkje in haar leven, waarin zij zich als geen ander inleeft in de mensen en dieren die op haar pad komen. Soms ontroerend, dan weer humoristisch. Door haar openhartigheid en makkelijke manier van schrijven wist zij op het internet al vele harten te veroveren met haar korte verhalen.

Nieuw! Beslist geen moordkuil-Saskia Jansen Storyteller

Moordkuil

Jullie weten het vast nog wel dat we tot een tijdje terug regelmatig een kort verhaal publiceerden van “onze” Saskia Jansen en toen was het even stil. Niet omdat ze gestopt was met haar te leuke schrijfsels, maar omdat ze druk bezig was met haar eerste echte boek Beslist geen moordkuil. Al haar geweldige verhalen gebundeld zodat je alles nog eens kan lezen en ook nieuwe verhalen kunt ontdekken. Gaaf of gaaf? Dikke gefeliciteerd Sas, we zijn bijna net zo trots als jij nu, dit is geweldig!

In januari dit jaar verscheen deze mooierd en het is nu dus overal te koop voor €17.95 Wij hebben hem al en dit boek is toffff! Dus ren naar de winkel of kruip achter je laptop en zoek bijvoorbeeld dat blauwe mannetje even op.

Volg je Saskia en haar korte verhalen al? Nee?? Dat kan hier!

Facebookpagina Saskia Jansen Storyteller

Binnenkort meer Beslist geen moordkuil bij Samenlezenisleuker

Stay Tuned! 😀

Over Beslist geen moordkuil:

Saskia Jansen (1976) is een hardwerkende moeder en echtgenote die zichzelf omschrijft als dromenjager en dierenliefhebster pur sang.

In Beslist geen moordkuil geeft zij de lezer een kijkje in haar leven, waarin zij zich als geen ander inleeft in de mensen en dieren die op haar pad komen. Soms ontroerend, dan weer humoristisch. Door haar openhartigheid en makkelijke manier van schrijven wist zij op het internet al vele harten te veroveren met haar korte verhalen.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Honden trimmen

Trimmen

Honden trimmen. Twee woorden die veel verschillende gevoelens of gedachtes losmaken bij iedereen. Zo vertelde ik eens aan een jongen dat ik hondentrimster ben, waarop hij mij met een ernstig gezicht aan bleef kijken, zijn wenkbrauwen fronste en toen uiterst serieus vroeg of je daar niet een ontzettend goede conditie voor moest hebben als je de hele dag met die beesten moest rondrennen. Het duurde even voor bij mij het kwartje viel, maar trimmen als in joggen was blijkbaar de gedachte die deze jongen erbij kreeg.

Mijn zestienjarige buurmeisje krijgt bij het horen van honden trimmen iets gelukzaligs over haar heen. Ze kijkt dan dromerig voor haar uit en zucht dan dat ze ook zo graag met schattige witte kleine hondjes zou willen werken. De gemiddelde man die weinig op heeft met honden denkt bij honden trimmen meestal aan het met een tondeuse kaalscheren van elke hond. Geen serieus beroep. Dat wij vaker wel dan niet meer verdienen dan deze mannen beseffen ze niet.

Als trimster zijnde denk ik bij de woorden honden trimmen aan mijn fleurige salon waar ik als het buiten dertig graden is, ik gewoon lekker koel kan werken en het er in de winter aangenaam warm is. Ik denk aan al mijn honden waarvan sommige al veertien jaar klant zijn. Prachtig om te zien hoe deze honden als kleine pupjes onhandig over mijn drempel kwamen struikelen en nu als grote oude honden met grijze snuiten en dunne lijfjes zo vol vertrouwen nog op mijn tafel kunnen staan. Mijn hart smelt daarvan en soms overvalt het me ook plotseling dat het weleens de laatste keer kan zijn dat ik ze zal zien. Daar kan ik dan echt om huilen.

Ik denk aan hoe de telefoon voor iedere vakantie altijd roodgloeiend staat omdat Fikkie naar tante Trudy moet en zij hem echt niet kan kammen en Fikkie dus in plaats van een mooi modelletje ineens als naakthond door het leven moet en uit de zon gehouden moet worden omdat hij anders verbrandt.

Ik denk aan hoe ik dit soort mensen ervan probeer te overtuigen dat hij best wat langer in vacht mag blijven en aan hoe verbaasd ik ben als de klanten dan zeggen dat ze drie maanden(!) op vakantie gaan. Dat is geen vakantie meer, dat lijkt wel op ‘Ik vertrek’.

Ik denk aan hoe heerlijk ik het vind als ik een Schapendoes op tafel heb staan die helemaal vol zit met van die kleine plakbolletjes. Voor mij het ultieme bewijs dat de hond een heerlijk leven heeft, lekker hard door hoog gras rennen. Ook de naar sloot ruikende Retriever laat mijn hart sneller kloppen. Fijn als deze honden die als een van de weinige rassen zwemvliezen tussen de tenen hebben, daadwerkelijk ook mogen zwemmen.

Ik denk aan haren achter mijn oogbollen, aan de winkelhaakjes die ik in mijn eigen vingers heb geknipt met veel te dure net geslepen scharen die ik wonderbaarlijk genoeg als enige scharen altijd laat vallen, terwijl de goedkopere versies nooit last lijken te hebben van de zwaartekracht.

Ik denk aan klanten die mijn vak niet begrijpen, aan de onzekerheid over mijn afgeleverde handwerk.

Ik denk aan het natte pak wat ik steevast heb wanneer een Berner Sennen van, pak hem beet, zestig kilo, zich uitschudt in bad terwijl ik nog geen dekking had kunnen zoeken.

Ik denk aan de boze Jack Russels die in hun kleine verpakking soms echt niet onder doen voor de gemiddelde Rottweiler. Ik denk aan de bestellingen die ik nog moet doen, aan de prijzen die ik hanteer en of ik nu eindelijk eens omhoog zal gaan.

Ik denk aan het hondje wat overleden was nadat ik hem tien jaar heb mogen knippen.

Ik denk aan tandsteen, oorsmeer en aan de geur van lekkende anaalklieren.

Ik denk aan de cadeautjes die ik heb gekregen als blijk van waardering. Ik denk aan de twee klanten die in veertien jaar tijd, boos op me zijn geweest en aan hoe deze twee mensen mijn hele leven in mijn gedachten zullen blijven door hun negativiteit, terwijl daartegenover honderden blije klanten staan waarvan ik er een aantal wel vergeten ben.

Ik denk aan de honden die nooit meer bij me opgehaald zijn en hoe dit achteraf toch chiquer was dan ze uit een auto gooien of aan een boom binden. Nu waren ze tenminste nog lekker schoongewassen en geknipt voordat het plaatselijke asiel een nieuw mandje voor ze gingen zoeken.

Ik denk aan de honderden klanten met ieder hun eigen verhaal. De oude man die bang was dat zijn hondjes hem zouden overleven en hier graag over wilde praten. Aan de klanten waarvan daadwerkelijk hun honden de klanten hebben overleefd.

Ik heb klanten opgegeten zien worden door de kanker, maar ook jonge vrouwen moeder zien worden. Ik heb kijkjes in de levens gehad van zoveel hondeneigenaren. Verhalen vol humor, vol verdriet, vol afschuw, vol lof, vol leven.

Wanneer iemand mij vraagt waarom ik hondentrimster ben geworden heb ik daar geen kort antwoord op. Ik denk dat ik het niet geworden ben, ik denk dat ik het altijd al ben geweest.

Ik heb wel een boodschap die ik aan iedereen die een hond aan wil schaffen of met honden wil gaan werken, mee wil geven. Leer hoe je ze moet lezen, respecteer ze en behandel ze altijd eerlijk, het zijn namelijk de mooiste wezens hier op aarde.

Honden trimmen, het zijn maar twee woorden, maar voor mij is het bijna mijn hele leven. Het is een prachtig beroep waar je voor naar school kan om de kneepjes van het vak te leren, maar ik ben ervan overtuigd dat er wolvenbloed door je aderen moet stromen om hier letterlijk geknipt voor te zijn.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Dat is dan 85 euro

Sasjansen

“Wat is de naam van uw hond?”, vraag ik aan het echtpaar die voor de eerste keer in mijn salon zijn.

De vrouw ziet er vriendelijk en verzorgd uit. Ze heeft mooi zilvergrijs kort haar en een moderne bril met een rood montuur. Aan haar oren hangen gouden oorbellen met een rood steentje erin. Ik schat haar een jaar of 65. De man ziet eruit alsof hij net uit een verbouwing is weggelopen. Er zit opgedroogde verf op zijn schoenen en zijn broek en zijn grijze haren zijn nog witter door een laag stof. Hij lijkt een stuk ouder dan zijn vrouw maar daar zou ik mij best in kunnen vergissen.

“Wammes heet ze “, beantwoordde de vrouw mijn vraag. “Maar wij noemen haar Pluche”, zegt de vrouw bloedserieus. “Dat heeft werkelijk de logica van een aardbei “, denk ik terwijl ik Wammes op de klanten kaart schrijf. Wammes is een Dwergpoedel teefje van nog geen twee jaar oud. Naast haar oogjes zitten wat bruin verkleurde traan streepjes en ook op haar voeten heeft ze deze verkleuring. “Mag ik uw adres noteren?, en wat is het telefoonnummer waar ik u straks op kan bereiken als Wammes klaar is?”

Alle gegevens en bijzonderheden worden genoteerd en ik beloof te bellen zodra ze Wammes weer op kunnen halen. Het hondje zit behoorlijk in de klit maar aangezien ik alle tijd heb nog, borstel ik haar voorzichtig maar zorgvuldig uit tot ze weer helemaal klit vrij is. Het hondje draait wat zenuwachtig rond op mijn tafel. Ik negeer het onrustige gedrag en pak haar op om in bad te zetten. Daar draait ze zonder enige schaamte een drol die ook best eens uit een Newfoundlander had kunnen komen.

“Verdomme”, denk ik. Maar ik laat de hond niet merken dat ik ervan baal. Terwijl ik 70 meter papier van uit de dispenser van de muur trek, zie ik dat de drol in de vorm van een hartje is neergelegd. Ik grinnik bij mijn gedachte dat dit typisch iets is waar mensen denken dat een poedel voor staat. Truttig. Een truttig hart gepoept door een poedel die Pluche genoemd wordt.

Ik ruim de hartvormige viezigheid op en was de hond met een shampoo voor spierwitte vachten. Ik knip haar nagels en maak haar tanden schoon. Na het föhnen knip ik de hond in een fris jeugd model zoals wij trimmers dat noemen en voorzie haar van een lekker luchtje.

“Zo , jij bent weer als nieuw Wammes, ik ga je baasjes bellen ” zeg ik terwijl ik haar een kus geef op haar kaal geschoren neusje. Door de telefoon hoor ik een afgesloten toon. Terwijl ik het nummer opnieuw intoets omdat ik denk dat ik het de eerste keer wellicht niet goed heb gedaan, zie ik Wammes door zijn achterpootjes zakken. Ik druk de telefoon uit en zeg: “Nee Wammes! Foei!”

Wammes trekt zich er niets van aan en maakt haar nieuwe creatie rustig af. “Oh , ik zie het al, je hebt er een streep onder gezet ” lach ik als ik naar de kaarsrechte streep poep kijk. Ik gooi de streep in een plastic zakje en doe het warme pakketje in de afvalbak.

“06109….5..0 “, mompel ik in mezelf en wacht of de telefoon nu wel overgaat. “Pro-du-liet”, klinkt het deuntje in mijn oor. Verdorie, dit nummer bestaat niet. Met de positieve gedachte dat ze mij misschien per ongeluk een verkeerd nummer hebben gegeven begin ik vast aan mijn volgende hond. Wanneer ik tegen zessen ’s avonds alles heb opgeruimd en schoongemaakt en Wammes ligt te slapen op het grijze kussen naast de deur, kijk ik naar het opgegeven adres van het echtpaar, Zuiderkeerkring. Dat adres bestaat echt weet ik uit mijn hoofd. Ik pak het kussen met Wammes erop en leg ze op de bijrijders stoel van mijn auto. In het donker tuur ik naar de voordeuren van de huizen aan de Zuiderkeerkring.

“Verdomme , wat hebben weinig mensen een duidelijk huisnummer”, denk ik.

“Ah , hier moet het zijn. Er brandt licht gelukkig.”

Ik zal die mensen weleens flink de waarheid zeggen , denk ik terwijl ik op de zwarte plastic bel druk met een ‘nee-nee’ sticker eronder. Een jonge blonde vrouw doet open en kijkt me vriendelijk aan.

“Goedenavond, ik ben op zoek naar naar meneer of mevrouw Kramer “, zeg ik kortaf. “Kramer?, dat zegt mij helemaal niets hoor”, antwoordt ze verward. “Heeft iemand in dit huis een wit poedeltje?”, vroeg ik vervolgens. “Nee, wij hebben helemaal geen hond. ” “Iemand bij u in de straat dan ?”, probeer ik in een laatste wanhopige poging. “Nee sorry, ik kan u niet helpen. ”

In de auto ligt Wammes rustig te slapen. Ik besluit haar wakker te maken en door de straat te gaan lopen. Ze moet vast plassen en wellicht herkent ze haar eigen huis wel. Wammes plast een keer en reageert op geen enkele woning. Ze lijkt blij te zijn dat ze met een lege blaas weer verder mag slapen in de auto. “Wat nu te doen “, denk ik.

Ik wil haar wel hebben maar ik heb zo een vermoeden dat mijn man dat geen goed idee vindt aangezien we al drie honden hebben daar waar hij 1 hond eigenlijk al voldoende vond. Na een kort telefoontje naar mijn man wordt mijn vermoeden direct bevestigd met een ; “Nee Sas, echt niet. Ik wil het niet hebben. En zeg me niet dat dit een slechte smoes is hè, want je wilde altijd al een witte poedel. “Mag ze vannacht wel blijven ?”, vraag ik nog voorzichtig maar de verbinding werd verbroken. “Shit Wammes, this is not our lucky day”, en ik rijd naar het dichtstbijzijnde asiel.

“Dat is dan 85 euro”, zegt het meisje achter de balie op een toon waaruit blijkt dat ze mijn verhaal niet gelooft. Het hondje blijkt niet gechipt dus we kunnen de eigenaren niet achterhalen op deze manier. Ik moet afstandskosten betalen. Ik overhandig haar het geld en het mooi geknipte poedeltje en voel mij teleurgesteld dat ik niet geloofd word. De dag omzet viel vandaag erg tegen met het verlies van de 85 euro en het gemiste geld voor het knippen van het poedeltje. Om nog niet te spreken over alle tijd die dit geintje mij gekost heeft.

Twee weken later staat er een nieuwe klant in mijn salon met een Labradoodle. Ik bekijk de man van top tot teen. Het lijkt een normale, vriendelijke, goed verzorgde man van middelbare leeftijd.

“Mag ik uw naam en adresgegevens noteren?”, vraag ik. “Natuurlijk, ik woon hier twee straten verderop aan de Loevestein.” “Dat is heel dichtbij”, glimlach ik wat argwanend. “Het wordt 85 euro meneer. Aangezien u een nieuwe klant bent moet u vooruit betalen.” “Je hebt groot gelijk meissie”, zegt hij terwijl hij 85 euro gepast uit zijn portefeuille haalt. “Er lopen tegenwoordig meer gekken rond dan dat er vastzitten”, zegt hij. Hij aait zijn doodle en roept; “Tot straks “, terwijl hij de deur achter zich dicht trekt.

Deze man is inmiddels al jaren vaste klant en mag wat mij betreft zijn portefeuille best een keer vergeten tegenwoordig.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Van het paard en de spin

Paardsas

“Mooie beesten maar ik ben er bang voor.”

In de berm naast het fietspad staat een vrouw van ongeveer mijn leeftijd met haar fiets in haar hand, die ze angstvallig tussen haar en het fietspad houdt. Ik passeer haar met mijn tweeënhalf jarige paardje die voor het eerst van haar leven op de openbare weg loopt. Alles is nog eng in haar ogen. Aan mij de schone taak om haar vertrouwen te geven.

Een paard is een vluchtdier, wat ik ergens echt een ontzettende rare beslissing vind van moeder natuur. Het zijn dieren die met gemak vijfhonderd kilo wegen en met een flinke trap iemand van het leven kunnen beroven. De meeste paarden lijken dit niet te beseffen. Als je met een plastic zakje in de lucht zwaait nemen de meeste al gauw de benen. Ooit zei iemand dat paarden maar voor twee dingen bang zijn, voor dingen die bewegen en voor dingen die niet bewegen.

Ondanks dat ik al zesendertig jaar intensief met paarden in aanraking ben, kan ik mij hier nog dagelijks om verwonderen. Ik herinner mij de dag dat ik op de rug van een paard zat op een rustige polderweg. Wij werden ingehaald door een tractor met een enorme aanhanger erachter, het ding rammelde enorm. Maar mijn paard vertrok geen spier. Hij stond op een boerderij en werd dagelijks geconfronteerd met tractoren. Heel relaxt liepen wij verder. Ik genoot van het uitgestrekte vergezicht en zoog de koude lucht diep mijn longen in. Net toen ik uit wilde ademen sprong mijn paard vanuit het niets een meter de lucht in. Eenmaal in de lucht maakte hij behendig een halve draai en liep vervolgens al snuivend achteruit bijna het slootje in.

Ik probeerde hem te kalmeren en aaide hem zacht over zijn hals, het werkte, hij stond stil, maar snoof nog steeds in de richting van een… papieren zakdoekje. Het zakdoekje was door iemand in de berm gegooid en wapperde er vrolijk op los. Mijn paard vond dit vergeleken bij de tractor echt een groot gevaar en besloot ver bij het wapperende bermspookje uit de buurt te blijven. Met een enorme sprong dook hij erlangs om vervolgens zijn weg weer te vervolgen alsof er niets aan de hand was.

Sommige mensen noemen dit aanstellerij maar dit is hoe de natuur het bedacht heeft en ik vind het ondanks de risico’s die het met zich meebrengt nog steeds erg mooi om te zien hoe de blauwprint in hun hoofd het werk doet. Ik glimlach naar de vrouw met haar fiets in de berm en vertel haar dat dit nog maar een baby is die alles nog moet leren.

“Ik vind het een enorme baby”, lacht de vrouw.

Uit voorzorg loop ik tussen de vrouw en mijn paardje in en zodra we precies naast haar staan houd ik even halt.

“Mag ik vragen waar u het meest bang voor bent als u een paard ziet?”, vraag ik haar.

Even denkt ze na terwijl ze toekijkt hoe ik mijn baby over het hoofd aai, ze draagt een pluche roze halster wat haar nog aaibaarder maakt dan ze al is.

“Dat ik een trap krijg”, antwoordt de vrouw dan resoluut.

We raken aan de praat en tijdens ons gesprek probeer ik haar uit te leggen waarom een paard je zou willen trappen. Want over het algemeen genomen wil een paard waar je een band mee hebt jou helemaal geen pijn doen. Blijkbaar deed mijn praatje de vrouw goed en kreeg ik haar zo ver dat ze haar fiets op de standaard zette en bij mij en mijn baby kwam staan. Kraambezoek noemden wij het gekscherend. De vrouw aaide voorzichtig haar hals en uiteindelijk zelfs haar zachte neus. Het ontroerde haar.

“Ik ben nog nooit zo dichtbij een paard geweest”, zei ze zachtjes.

Mijn baby pikte haar emotie feilloos op en bleef verdacht rustig. Het was een mooi moment. De vrouw zwaaide en met een enorme glimlach verdween ze de polder in. Ik was trots op mijn baby.

“ ‘S Avonds vertelde ik dit verhaal aan een vriendin van mij. Ze reageerde zoals ze zo vaak reageert.

“Mensen moeten niet zo spastisch doen, een paard doet niks. Zolang je maar kenbaar maakt dat jij de baas bent en je hem niet laat schrikken”, was haar genuanceerde antwoord. Ik glimlachte alleen maar en wist dat ik hier niets meer aan toe hoefde te voegen want als zij een standpunt had ingenomen dan kreeg je haar er niet meer vanaf.

Ze is het prototype stoere meid, flinke tatoeages, grote mond, spijkerbroek en kistjes eronder. Ze laat zich door niets of niemand de les lezen. Je houdt van haar of je haat haar, er zit niets tussen. Terwijl ze nog even door preekt over hoe dom mensen omgaan met paarden, ze heeft trouwens zelf geen paard, gilt ze vanuit de keuken of ik ook een biertje wil.

“Nee, even niet voor mij. Doe mij maar een theetje.”

Ze steekt haar hoofd om de hoek van de deur en gilt: “Thee is voor zieke mensen, je mankeert toch niks lijpo.”

Ze verdwijnt weer in de keuken en komt terug met twee flesjes bier. Ik glimlach en zet het flesje aan mijn mond. Gek wijf, denk ik.

“Angsthazen, dat zijn het”, vervolgt ze haar verhaal.

“Ach, zeg ik, soms is het niet zo verkeerd om bang te zijn. Ik bedoel, het zijn toch enorm grote dieren en als je ze niet begrijpt kan het echt je dood worden ook. Bij paarden geldt een belangrijke regel: “Angst is gezond, paniek is dodelijk”.

“Heb jij soms verf op loodbasis ingeademd ofzo?”, zegt ze verontwaardigd.

“Angst is helemaal niet goed, angst is een slechte raadgever”, ze kijkt erbij alsof ze G.I.-Jane is.

“Whatever”, zeg ik terwijl ik het laatste slokje bier naar binnen giet.

“Nog eentje?”, vraagt ze.

“Geef mij de lijken even aan.” Ze doelt op de lege flesjes bier. Ik geef ze aan haar en ze loopt ermee naar de keuken.

“Hoppa, de lijken gaan de kist in”, hoor ik haar zeggen terwijl ik het geluid hoor van bierflesjes die in een krat gezet worden. En dan ineens hoor ik een ongelofelijk gil, gevolgd door het geluid van uiteenspattend glas op de grond.

“Godverdomme!”, schreeuwt mijn vriendin en komt al struikelend de keuken uitrennen. Ze ziet eruit alsof ze zojuist een geest heeft gezien. Geschrokken sta ik op en vraag wat er is. Ik leg mijn hand op haar schouder en kijk in de richting van de keuken of er niet toevallig een inbreker staat ofzo. Mijn vriendin klopt tegen haar natte broekspijp.

“Wat is er gebeurd?”, vraag ik nogmaals.

“Er zit een fucking spin op mijn aanrecht”, zegt ze dan alsof ze pisnijdig is.

“Een spin?, doe je daarom zo hysterisch?”

“Niet zomaar een spin idioot, het is een fucking Tarantula!”

Ik loop de keuken in op zoek naar de vogelspin die blijkbaar zo groot moet zijn dat hij mijn stoere vriendin de stuipen op het lijf kan jagen. Ik speur het aanrecht af en zie niets. Oh wacht, ja daar, op het vaatdoekje zit een spin. Nou ja, spin, sjezus, je mag het bijna geen spin noemen. Net zo groot als het topje van mijn duim.

“Zie je hem?”, klinkt het vanachter de gesloten deur.

“Ja ik heb hem gepakt”, zeg ik triomfantelijk.

“Mooi, maak hem dood!”

“Echt niet, ik zet hem buiten.”

“Het raam van mijn keuken kan niet open”, klinkt ze paniekerig.

“Dan ga ik door de voordeur.”

Ik duw de keukendeur open met het spinnetje in mijn hand. Mijn vriendin rent weg en duikt op de bank. Ik loop naar haar toe en laat het spinnetje zien aan haar, ze gilt dat ik op moet rotten. Ik kan het niet laten om te zeggen dat ze niet zo spastisch moet doen en dat ze hem moet laten merken dat zij de baas is en hem niet moet laten schrikken.  Ik herken in haar ineens de vrouw met de fiets in de berm en besluit tegenover haar op de salontafel te gaan zitten met een gesloten hand waar het spinnetje zich bevindt. Ik zweer op mijn leven dat ik hem niet naar haar toe zal gooien en nadat ik op alles wat me lief is heb moeten zweren, kalmeert ze eindelijk een beetje. Ze gaat recht tegenover mij zitten en ik vraag haar waar ze het meest bang voor is op dit moment. Ze komt nergens op. Ik open mijn hand en laat het beestje zien, ze trekt een vies gezicht maar kijkt er toch naar.

“Man, wat is hij groot”, zegt ze vol afschuw.

“Nou he? Echt een beest van een dier, als je goed kijkt zie je de tatoeages zitten”, zeg ik vermaakt. Ze kijkt me even kwaad aan maar schiet dan in de lach. “Trut”, zegt ze.

“Open je hand”, zeg ik. “Dan geef ik hem aan jou, jij sluit dan je hand zachtjes en dan brengen we hem samen naar buiten.”

Het duurde ongeveer twintig minuten voordat ik haar ervan overtuigd had dat ze niet gebeten zou worden, maar ze deed het! Met een gilletje liet ze hem uit haar hand ontsnappen en even sprong ze wild op en neer om daarna aan een stuk ”Oh mijn God, oh mijn God” te roepen.

“Ik heb nog nooit een spin vastgehouden”, jubelt ze.

Ze omhelst me en gaat nog twee biertjes halen om haar overwinning te vieren. En ik, ik voel me blij dat ik vandaag twee mensen zoiets moois heb kunnen laten voelen als vertrouwen.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Oudjes lekken urine ;-)

Zwemsas

Het is een doodnormale maandagmorgen wanneer het mij eindelijk weer eens gelukt is om om klokslag zeven uur in de ochtend in het plaatselijke zwembad te zijn. Tot negen uur kunnen er banen gezwommen worden onder de noemer ‘vroege vogels’.

Er zijn maar bar weinig mensen onder de zestig jaar te vinden deze ochtend, waarschijnlijk omdat die liever om half acht ’s avonds zwemmen bij de ‘dode vogels’ die op maandagochtend nog in een soort coma liggen van het weekend. Ik heb het deze ochtend gehaald, mijn alarmklok speelde wel veertien keer dat irritante deuntje af voordat ik mijzelf had toegesproken dat ik me straks heel lekker zou voelen als ik geweest was. In mijn rechterhand had ik mijn bikini vastgehouden en ik vroeg mij af of ik die nog wel zou passen, in de linker had ik mijn zwarte degelijke badpak vast, comfortabel en vooral seksloos, ja die ging het worden deze ochtend.

Ik duw tegen de lange plastic flappen die de kleedruimtes scheiden van de doucheruimte en de warme chloorlucht slaat me in het gezicht. Onder de douches wemelt het van de oude mensen, ze lijken elkaar allemaal te kennen en slaan geen acht op mijn aanwezigheid. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik ook niet heel erg opval aangezien alle dames hetzelfde badpak dragen als ik. Na een snelle douche loop ik alsof ik op een straat loop die glad is van de ijzel naar het grote wedstrijdbad. De badmeester zit hoog in zijn uitkijkstoel met een grote beker koffie en glimlacht naar me. Hij is ongeveer net zo oud als ik en lijkt opgelucht te zijn dat er tenminste een iemand is die statistisch gezien meer kans heeft het zwembad ook weer zelfstandig te verlaten.

Wanneer ik langs zijn stoel loop wenkt hij mij dichterbij te komen. Vertwijfeld stap ik tot onder het laddertje en kijk vragend omhoog. De badmeester buigt zich voorover en zegt zachtjes: “Voor die oudjes blijven zwemmen hè? Want die lekken urine.”

Ik schiet in de lach en bedank hem voor de tip. Eenmaal in het water blijkt het nog lang niet mee te vallen om voor de zogenoemde oudjes uit te blijven zwemmen, volgens mij zwemt deze groep hier al twintig jaar iedere ochtend. Daar waar ik soms even uitpuf aan de kant zwemmen hun al babbelend met hun badmutsjes op stug door. Ik moet ervan glimlachen.

Wanneer het uur bijna erop zit en ik vijftig banen heb weten te trekken, roept de badmeester plotseling dat “we ”nog even met zijn allen gaan aqua joggen in het bad ernaast. Alle oudjes zwemmen naar de trapjes en al opgewonden babbelend haasten ze zich naar het naastgelegen bad. Ik twijfel of ik hier wel aan mee moet doen, ik pas er niet echt tussen, maar de badmeester wenkt alweer. Ik besluit me niet te laten kennen en sluit mij aan bij deze enthousiaste bejaardenclub.

Ik sta naast een man en een vrouw waarvan ik denk dat ze een echtpaar zijn, ik gok dat ze ongeveer tachtig jaar oud zijn. Ze springen en lachen erop los en ik geniet van deze aanblik. Wat doen wij soms denigrerend naar oudere mensen, waarom eigenlijk? Deze mensen hebben echt veel lol met elkaar en zijn hartstikke fit. De badmeester staat op de kant en tilt om de beurt zijn knieën hoog in de lucht; “Eén , twee, één twee, kom op nog eventjes volhouden”, schreeuwt hij.

Ik moet mijn uiterste best doen om dit vol te houden, het is best zwaar. Dan hoor ik de man naast mij tegen zijn vrouw zeggen: “Oh sorry, stond ik op je teen? Of op je borst?”

Ik moet deze opmerking heel even tot me door laten dringen maar zodra ik besef dat hij dit werkelijk zei tegen zijn vrouw schiet ik zo hard in de lach dat ik bijna verdrink. Ik huppel naar de kant en hoest en lach tegelijk. De vrouw van de man is mij achterna gekomen en klopt liefdevol op mijn rug. Wanneer ik weer normaal adem kan halen en ik de tranen van mijn wangen heb geveegd, bedank ik haar.

“Sorry dat ik zo hard moest lachen hoor mevrouw, maar uw man is echt heel grappig”, hik ik nog na. De vrouw kijkt met haar lieve blauwe ogen terug en zegt: “Wij zijn al tweeënzestig jaar getrouwd, en dat kan alleen maar als je humor hebt.”

Ik kan niet anders dan knikken en kijk haar na wanneer ze weer terug hopst door het water naar haar man, die zijn duim naar me opsteekt terwijl zijn knieën nog steeds om en om omhoog gaan. Ik schiet nogmaals in de lach en op dat moment roept de badmeester heel hard; “Dames en heren springen jullie allemaal maar wat naar voren want ik denk dat die mevrouw wellicht wat urine aan het verliezen is daar.”

De hele groep lacht en als een soort motorisch gestoorde watervogels hopsen ze allemaal in een ander ritme richting de badmeester. Thuis zie ik dat ik een appje heb van mijn man; “En? Voel je je lekkerder nu je gezwommen hebt?”

Ik glimlach naar het scherm en typ terug; Het was een heerlijke ochtend, ik heb genoten van al deze leuke en lieve mensen, ik denk dat ik morgen weer ga. Waarop mijn man allemaal poppetjes terugstuurt die janken van het lachen en zegt dat hij zo van mijn humor houdt.

Ik hoop dat wij het hiermee dan ook zullen redden tot onze tweeënzestigste trouwdag.