Samen met Saskia Jansen Storyteller: Van het paard en de spin

Paardsas

“Mooie beesten maar ik ben er bang voor.”

In de berm naast het fietspad staat een vrouw van ongeveer mijn leeftijd met haar fiets in haar hand, die ze angstvallig tussen haar en het fietspad houdt. Ik passeer haar met mijn tweeënhalf jarige paardje die voor het eerst van haar leven op de openbare weg loopt. Alles is nog eng in haar ogen. Aan mij de schone taak om haar vertrouwen te geven.

Een paard is een vluchtdier, wat ik ergens echt een ontzettende rare beslissing vind van moeder natuur. Het zijn dieren die met gemak vijfhonderd kilo wegen en met een flinke trap iemand van het leven kunnen beroven. De meeste paarden lijken dit niet te beseffen. Als je met een plastic zakje in de lucht zwaait nemen de meeste al gauw de benen. Ooit zei iemand dat paarden maar voor twee dingen bang zijn, voor dingen die bewegen en voor dingen die niet bewegen.

Ondanks dat ik al zesendertig jaar intensief met paarden in aanraking ben, kan ik mij hier nog dagelijks om verwonderen. Ik herinner mij de dag dat ik op de rug van een paard zat op een rustige polderweg. Wij werden ingehaald door een tractor met een enorme aanhanger erachter, het ding rammelde enorm. Maar mijn paard vertrok geen spier. Hij stond op een boerderij en werd dagelijks geconfronteerd met tractoren. Heel relaxt liepen wij verder. Ik genoot van het uitgestrekte vergezicht en zoog de koude lucht diep mijn longen in. Net toen ik uit wilde ademen sprong mijn paard vanuit het niets een meter de lucht in. Eenmaal in de lucht maakte hij behendig een halve draai en liep vervolgens al snuivend achteruit bijna het slootje in.

Ik probeerde hem te kalmeren en aaide hem zacht over zijn hals, het werkte, hij stond stil, maar snoof nog steeds in de richting van een… papieren zakdoekje. Het zakdoekje was door iemand in de berm gegooid en wapperde er vrolijk op los. Mijn paard vond dit vergeleken bij de tractor echt een groot gevaar en besloot ver bij het wapperende bermspookje uit de buurt te blijven. Met een enorme sprong dook hij erlangs om vervolgens zijn weg weer te vervolgen alsof er niets aan de hand was.

Sommige mensen noemen dit aanstellerij maar dit is hoe de natuur het bedacht heeft en ik vind het ondanks de risico’s die het met zich meebrengt nog steeds erg mooi om te zien hoe de blauwprint in hun hoofd het werk doet. Ik glimlach naar de vrouw met haar fiets in de berm en vertel haar dat dit nog maar een baby is die alles nog moet leren.

“Ik vind het een enorme baby”, lacht de vrouw.

Uit voorzorg loop ik tussen de vrouw en mijn paardje in en zodra we precies naast haar staan houd ik even halt.

“Mag ik vragen waar u het meest bang voor bent als u een paard ziet?”, vraag ik haar.

Even denkt ze na terwijl ze toekijkt hoe ik mijn baby over het hoofd aai, ze draagt een pluche roze halster wat haar nog aaibaarder maakt dan ze al is.

“Dat ik een trap krijg”, antwoordt de vrouw dan resoluut.

We raken aan de praat en tijdens ons gesprek probeer ik haar uit te leggen waarom een paard je zou willen trappen. Want over het algemeen genomen wil een paard waar je een band mee hebt jou helemaal geen pijn doen. Blijkbaar deed mijn praatje de vrouw goed en kreeg ik haar zo ver dat ze haar fiets op de standaard zette en bij mij en mijn baby kwam staan. Kraambezoek noemden wij het gekscherend. De vrouw aaide voorzichtig haar hals en uiteindelijk zelfs haar zachte neus. Het ontroerde haar.

“Ik ben nog nooit zo dichtbij een paard geweest”, zei ze zachtjes.

Mijn baby pikte haar emotie feilloos op en bleef verdacht rustig. Het was een mooi moment. De vrouw zwaaide en met een enorme glimlach verdween ze de polder in. Ik was trots op mijn baby.

“ ‘S Avonds vertelde ik dit verhaal aan een vriendin van mij. Ze reageerde zoals ze zo vaak reageert.

“Mensen moeten niet zo spastisch doen, een paard doet niks. Zolang je maar kenbaar maakt dat jij de baas bent en je hem niet laat schrikken”, was haar genuanceerde antwoord. Ik glimlachte alleen maar en wist dat ik hier niets meer aan toe hoefde te voegen want als zij een standpunt had ingenomen dan kreeg je haar er niet meer vanaf.

Ze is het prototype stoere meid, flinke tatoeages, grote mond, spijkerbroek en kistjes eronder. Ze laat zich door niets of niemand de les lezen. Je houdt van haar of je haat haar, er zit niets tussen. Terwijl ze nog even door preekt over hoe dom mensen omgaan met paarden, ze heeft trouwens zelf geen paard, gilt ze vanuit de keuken of ik ook een biertje wil.

“Nee, even niet voor mij. Doe mij maar een theetje.”

Ze steekt haar hoofd om de hoek van de deur en gilt: “Thee is voor zieke mensen, je mankeert toch niks lijpo.”

Ze verdwijnt weer in de keuken en komt terug met twee flesjes bier. Ik glimlach en zet het flesje aan mijn mond. Gek wijf, denk ik.

“Angsthazen, dat zijn het”, vervolgt ze haar verhaal.

“Ach, zeg ik, soms is het niet zo verkeerd om bang te zijn. Ik bedoel, het zijn toch enorm grote dieren en als je ze niet begrijpt kan het echt je dood worden ook. Bij paarden geldt een belangrijke regel: “Angst is gezond, paniek is dodelijk”.

“Heb jij soms verf op loodbasis ingeademd ofzo?”, zegt ze verontwaardigd.

“Angst is helemaal niet goed, angst is een slechte raadgever”, ze kijkt erbij alsof ze G.I.-Jane is.

“Whatever”, zeg ik terwijl ik het laatste slokje bier naar binnen giet.

“Nog eentje?”, vraagt ze.

“Geef mij de lijken even aan.” Ze doelt op de lege flesjes bier. Ik geef ze aan haar en ze loopt ermee naar de keuken.

“Hoppa, de lijken gaan de kist in”, hoor ik haar zeggen terwijl ik het geluid hoor van bierflesjes die in een krat gezet worden. En dan ineens hoor ik een ongelofelijk gil, gevolgd door het geluid van uiteenspattend glas op de grond.

“Godverdomme!”, schreeuwt mijn vriendin en komt al struikelend de keuken uitrennen. Ze ziet eruit alsof ze zojuist een geest heeft gezien. Geschrokken sta ik op en vraag wat er is. Ik leg mijn hand op haar schouder en kijk in de richting van de keuken of er niet toevallig een inbreker staat ofzo. Mijn vriendin klopt tegen haar natte broekspijp.

“Wat is er gebeurd?”, vraag ik nogmaals.

“Er zit een fucking spin op mijn aanrecht”, zegt ze dan alsof ze pisnijdig is.

“Een spin?, doe je daarom zo hysterisch?”

“Niet zomaar een spin idioot, het is een fucking Tarantula!”

Ik loop de keuken in op zoek naar de vogelspin die blijkbaar zo groot moet zijn dat hij mijn stoere vriendin de stuipen op het lijf kan jagen. Ik speur het aanrecht af en zie niets. Oh wacht, ja daar, op het vaatdoekje zit een spin. Nou ja, spin, sjezus, je mag het bijna geen spin noemen. Net zo groot als het topje van mijn duim.

“Zie je hem?”, klinkt het vanachter de gesloten deur.

“Ja ik heb hem gepakt”, zeg ik triomfantelijk.

“Mooi, maak hem dood!”

“Echt niet, ik zet hem buiten.”

“Het raam van mijn keuken kan niet open”, klinkt ze paniekerig.

“Dan ga ik door de voordeur.”

Ik duw de keukendeur open met het spinnetje in mijn hand. Mijn vriendin rent weg en duikt op de bank. Ik loop naar haar toe en laat het spinnetje zien aan haar, ze gilt dat ik op moet rotten. Ik kan het niet laten om te zeggen dat ze niet zo spastisch moet doen en dat ze hem moet laten merken dat zij de baas is en hem niet moet laten schrikken.  Ik herken in haar ineens de vrouw met de fiets in de berm en besluit tegenover haar op de salontafel te gaan zitten met een gesloten hand waar het spinnetje zich bevindt. Ik zweer op mijn leven dat ik hem niet naar haar toe zal gooien en nadat ik op alles wat me lief is heb moeten zweren, kalmeert ze eindelijk een beetje. Ze gaat recht tegenover mij zitten en ik vraag haar waar ze het meest bang voor is op dit moment. Ze komt nergens op. Ik open mijn hand en laat het beestje zien, ze trekt een vies gezicht maar kijkt er toch naar.

“Man, wat is hij groot”, zegt ze vol afschuw.

“Nou he? Echt een beest van een dier, als je goed kijkt zie je de tatoeages zitten”, zeg ik vermaakt. Ze kijkt me even kwaad aan maar schiet dan in de lach. “Trut”, zegt ze.

“Open je hand”, zeg ik. “Dan geef ik hem aan jou, jij sluit dan je hand zachtjes en dan brengen we hem samen naar buiten.”

Het duurde ongeveer twintig minuten voordat ik haar ervan overtuigd had dat ze niet gebeten zou worden, maar ze deed het! Met een gilletje liet ze hem uit haar hand ontsnappen en even sprong ze wild op en neer om daarna aan een stuk ”Oh mijn God, oh mijn God” te roepen.

“Ik heb nog nooit een spin vastgehouden”, jubelt ze.

Ze omhelst me en gaat nog twee biertjes halen om haar overwinning te vieren. En ik, ik voel me blij dat ik vandaag twee mensen zoiets moois heb kunnen laten voelen als vertrouwen.

Samen feest vieren

samen feesten

Afgelopen week was ik op een verjaardag van een vriendin. Ze was 50 geworden en dat moest gevierd worden natuurlijk. Het was een zaterdagavond en ik was vrij, dus hup met de man eerst even langs de Kazerie voor een mooi mandje en toen richting het feest”varken”.

Gelijk al gezellig en toen het groepje van “ons” eenmaal ook gearriveerd was kwam daar de onvermijdelijke onderverdeling…..mannen daar, vrouwen daar… en daar sta je dan..

Als enige vrouw zonder kinderen!

Je raadt vast al hoe het ging “Mijn kind dit, mijn kind dat en ik”…….. opeens is het “Goh wat zeg je weinig!” “Ja nou ja, ik heb geen kinderen dus geen idee hoe dat werkt, maar ik hoor wel eens van vrie…” Oooow nou blablablabla kind dit, kind dat…..

luieres

Uiteindelijk ben ik bij de mannen gaan staan voor een biertje en wat stom geklets. En dan is het ook niet goed. Mijn man kijkt me aan van: Hoezo sta je hier. Ja schat, hoezo niet? We zijn samen op een feestje en ik kan nu eenmaal beter kletsen over bier, voetbal en Formule 1 dan over luieruitslag, bedplassen en driftaanvallen van een peuter in een supermarkt.

Na een paar drankjes zijn we maar samen naar huis gegaan en heb ik me nog dagen zitten verbazen dat er blijkbaar nog steeds moeders zijn die onderling over echt niks anders kunnen praten dan hun ow zo geweldige kroost.

Ach ja dat hebben hun dan weer samen gemeen 😛

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Oudjes lekken urine ;-)

Zwemsas

Het is een doodnormale maandagmorgen wanneer het mij eindelijk weer eens gelukt is om om klokslag zeven uur in de ochtend in het plaatselijke zwembad te zijn. Tot negen uur kunnen er banen gezwommen worden onder de noemer ‘vroege vogels’.

Er zijn maar bar weinig mensen onder de zestig jaar te vinden deze ochtend, waarschijnlijk omdat die liever om half acht ’s avonds zwemmen bij de ‘dode vogels’ die op maandagochtend nog in een soort coma liggen van het weekend. Ik heb het deze ochtend gehaald, mijn alarmklok speelde wel veertien keer dat irritante deuntje af voordat ik mijzelf had toegesproken dat ik me straks heel lekker zou voelen als ik geweest was. In mijn rechterhand had ik mijn bikini vastgehouden en ik vroeg mij af of ik die nog wel zou passen, in de linker had ik mijn zwarte degelijke badpak vast, comfortabel en vooral seksloos, ja die ging het worden deze ochtend.

Ik duw tegen de lange plastic flappen die de kleedruimtes scheiden van de doucheruimte en de warme chloorlucht slaat me in het gezicht. Onder de douches wemelt het van de oude mensen, ze lijken elkaar allemaal te kennen en slaan geen acht op mijn aanwezigheid. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik ook niet heel erg opval aangezien alle dames hetzelfde badpak dragen als ik. Na een snelle douche loop ik alsof ik op een straat loop die glad is van de ijzel naar het grote wedstrijdbad. De badmeester zit hoog in zijn uitkijkstoel met een grote beker koffie en glimlacht naar me. Hij is ongeveer net zo oud als ik en lijkt opgelucht te zijn dat er tenminste een iemand is die statistisch gezien meer kans heeft het zwembad ook weer zelfstandig te verlaten.

Wanneer ik langs zijn stoel loop wenkt hij mij dichterbij te komen. Vertwijfeld stap ik tot onder het laddertje en kijk vragend omhoog. De badmeester buigt zich voorover en zegt zachtjes: “Voor die oudjes blijven zwemmen hè? Want die lekken urine.”

Ik schiet in de lach en bedank hem voor de tip. Eenmaal in het water blijkt het nog lang niet mee te vallen om voor de zogenoemde oudjes uit te blijven zwemmen, volgens mij zwemt deze groep hier al twintig jaar iedere ochtend. Daar waar ik soms even uitpuf aan de kant zwemmen hun al babbelend met hun badmutsjes op stug door. Ik moet ervan glimlachen.

Wanneer het uur bijna erop zit en ik vijftig banen heb weten te trekken, roept de badmeester plotseling dat “we ”nog even met zijn allen gaan aqua joggen in het bad ernaast. Alle oudjes zwemmen naar de trapjes en al opgewonden babbelend haasten ze zich naar het naastgelegen bad. Ik twijfel of ik hier wel aan mee moet doen, ik pas er niet echt tussen, maar de badmeester wenkt alweer. Ik besluit me niet te laten kennen en sluit mij aan bij deze enthousiaste bejaardenclub.

Ik sta naast een man en een vrouw waarvan ik denk dat ze een echtpaar zijn, ik gok dat ze ongeveer tachtig jaar oud zijn. Ze springen en lachen erop los en ik geniet van deze aanblik. Wat doen wij soms denigrerend naar oudere mensen, waarom eigenlijk? Deze mensen hebben echt veel lol met elkaar en zijn hartstikke fit. De badmeester staat op de kant en tilt om de beurt zijn knieën hoog in de lucht; “Eén , twee, één twee, kom op nog eventjes volhouden”, schreeuwt hij.

Ik moet mijn uiterste best doen om dit vol te houden, het is best zwaar. Dan hoor ik de man naast mij tegen zijn vrouw zeggen: “Oh sorry, stond ik op je teen? Of op je borst?”

Ik moet deze opmerking heel even tot me door laten dringen maar zodra ik besef dat hij dit werkelijk zei tegen zijn vrouw schiet ik zo hard in de lach dat ik bijna verdrink. Ik huppel naar de kant en hoest en lach tegelijk. De vrouw van de man is mij achterna gekomen en klopt liefdevol op mijn rug. Wanneer ik weer normaal adem kan halen en ik de tranen van mijn wangen heb geveegd, bedank ik haar.

“Sorry dat ik zo hard moest lachen hoor mevrouw, maar uw man is echt heel grappig”, hik ik nog na. De vrouw kijkt met haar lieve blauwe ogen terug en zegt: “Wij zijn al tweeënzestig jaar getrouwd, en dat kan alleen maar als je humor hebt.”

Ik kan niet anders dan knikken en kijk haar na wanneer ze weer terug hopst door het water naar haar man, die zijn duim naar me opsteekt terwijl zijn knieën nog steeds om en om omhoog gaan. Ik schiet nogmaals in de lach en op dat moment roept de badmeester heel hard; “Dames en heren springen jullie allemaal maar wat naar voren want ik denk dat die mevrouw wellicht wat urine aan het verliezen is daar.”

De hele groep lacht en als een soort motorisch gestoorde watervogels hopsen ze allemaal in een ander ritme richting de badmeester. Thuis zie ik dat ik een appje heb van mijn man; “En? Voel je je lekkerder nu je gezwommen hebt?”

Ik glimlach naar het scherm en typ terug; Het was een heerlijke ochtend, ik heb genoten van al deze leuke en lieve mensen, ik denk dat ik morgen weer ga. Waarop mijn man allemaal poppetjes terugstuurt die janken van het lachen en zegt dat hij zo van mijn humor houdt.

Ik hoop dat wij het hiermee dan ook zullen redden tot onze tweeënzestigste trouwdag.