Samen met Saskia Jansen Storyteller: Fuck you Tony!

sastony

Zodra ik mijn ogen open doe begint het al. Ik ben misselijk zodra ik eraan denk wat er gisteravond is gebeurd. En het was zeker niet de eerste keer. Ik stap uit bed en slik even een paar keer zodat ik niet ga overgeven. Met mijn beide handen leun ik op de wasbak en wacht heel even voordat ik mijzelf in de spiegel aan durf te kijken. Mijn haar staat in rare piekjes overeind, mascaravlekken onder mijn ogen en helemaal bovenin net onder mijn haargrens zit een puistje die wel erg afsteekt met zijn rode hoofdje op mijn verder intens witte huid.

Sinds dit gedoe aan de gang is ga ik er met de dag slechter uitzien en me slechter voelen. Ik poets mijn tanden en trek een borstel door mijn haar, mijn maag protesteert wederom, ik adem diep in en sluit mijn ogen, het helpt. Wanneer ik terug in de slaapkamer ben zie ik de trieste overblijfselen van gisteravond. In het bed zie ik precies waar je vannacht naast me hebt gelegen, ik sla mijn ogen neer. Ik besluit de lakens van het bed te halen en schoongewassen linnen erop te doen. Ik doe gewoon net of het niet weer gebeurd is.

Normaal gesproken deel ik veel met Facebook maar deze hou ik voor me, wat zullen ze wel niet denken? Ongetwijfeld zullen veel vrouwen hiervan genieten. Ik die hem altijd zo ophemel, het mijn beste vriend noem. Ik schud mijn hoofd, nee, ik ga het aan niemand vertellen. Die zogenaamde meelevende blikken die nooit kunnen verhullen hoezeer zij genieten van mijn problemen. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat ik om medische redenen mijn probleem niet kan delen met de meeste vrouwen. Ik word er namelijk kotsmisselijk van.

Met een kop thee zit ik alleen aan de keukentafel. In mijn hoofd ga ik voor de tiende keer na waarom het nu weer zo fout ging, maar ik kom er niet uit. Ligt het wel aan mij? Ja natuurlijk ligt het aan mij, denk ik er dan snel achteraan, wat kan hij er nou aan doen? Verdomme, ik kan niet met hem maar ook niet zonder hem. Ik bedoel, het is pas zeven uur geleden dat ik naast hem lag en eerlijk gezegd heb ik nu hier aan de keukentafel alweer zin in hem. Wat een achterlijk gedrag. Had ik het wat rustiger aangepakt vannacht dan zat ik hier nu niet alleen met mijn kopje thee, het is echt mijn eigen schuld.

Ik moet ervoor zorgen dat dit nooit meer gaat gebeuren. Het beste zou zijn om er definitief mee te stoppen. Wanneer ik hem niet meer zie dan zal het uiteindelijk wel slijten denk ik. Ik probeer mij een leven zonder hem voor te stellen. Het lijkt me vreselijk, want hij troost me altijd wanneer ik me rot voel, hij kan me zelfs een euforisch gevoel geven. Maar aan de andere kant maakt hij me kwaad en moe. Het is een haat-liefde verhouding.

Ik zucht eens diep, giet de afgekoelde thee in een slok naar binnen en besluit resoluut dat dit de dag wordt. Dit is de dag dat ik definitief knopen ga hakken. Met een klap zet ik de mok op het aanrecht, ik recht mijn rug en durf het hardop uit te spreken.

“Ik ga scheiden.”

Zo dat is eruit. Het is mooi geweest. Met een ruk trek ik een keukenkastje open om te zien of hier nog restanten liggen die weg kunnen. Niks. Mooi, dan ga ik nu boodschappen doen alsof er niets aan de hand is. In de auto word ik direct herinnerd aan hem. Overal waar ik kijk zie ik hem. Het grijpt me naar de keel. Kan ik wel zonder hem? Hij kan zeker weten wel zonder mij, iedereen wil hem, voor mij tien anderen. Die gedachte maakt mij toch weer strijdlustig. Ik moet niet zo afhankelijk zijn van hem, voor mezelf denken, hij is niet goed voor mij.

In de supermarkt vermijd ik bepaalde paden. Ik pak groenten en fruit en melk. Bij de melk voel ik plotseling zijn aanwezigheid, schuin achter mij. Ik durf niet te kijken. Bang dat ik bij zijn aanblik toch weer puddingbenen krijg en overstag ga. Langzaam draai ik mij om, ik zie hem meteen. Met die rode jas. Onweerstaanbaar vind ik. Ik loop naar hem toe, blijf even zwijgend staan kijken en pak hem dan toch vast. Ik ruik even aan de rode jas en voel de tranen komen. Wat een nare verslaving is dit.

Ik moet voet bij stuk houden als ik verandering wil in mijn leven. Dus laat ik hem los, aai hem over het mooie rood en fluister: “Sorry Tony, ik kan dit niet meer.”

Met opgeheven hoofd en trots als een pauw verlaat ik de supermarkt met mijn gezonde boodschappen. Thuis berg ik de spullen op in de koelkast en voel ik me toch weer verdrietig worden. Ik besluit mijn man te bellen: “Hey, met mij, ik heb het gedaan, ik ben gestopt met Tony.”

“Nou die meneer Tonychocolonely kan zijn fabriek wel sluiten nu”, zegt mijn man lachend.

“Maar ik ben blij dat je weer alleen van mij bent schat, trots op je.”

Met een glimlach hang ik op. Mijn lijf vraagt alweer om Tony. Ik schil een appeltje en fluister: “Fuck you Tony, deze keer win ik.”

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Van alles en iedereen gewoon een beetje?

sasvoetbal

Voetbal, wat heb ik daar een hekel aan. En dan heb ik het niet over de bal zelf of over het spel in het algemeen. Maar ik heb het over al die heisa eromheen.

Dit trauma van mij is ontstaan in mijn eerste huwelijk. Mijn ex-man was een fervent Feyenoord-aanhanger. En nu heb ik daar geen problemen mee maar wel met het feit dat hij echt alles wat er ook maar uitgezonden werd qua voetbal ook daadwerkelijk lag te kijken. Standaard in zijn onderbroek languit op de bank al vloekend en tierend lag hij dan in de inmiddels ontstane kuil in het bankstel mij de stuipen op het lijf te jagen met al die oer geluiden.

Wanneer ik ’s avonds uit mijn werk kwam en ik mijn auto op het pleintje had geparkeerd, moest ik altijd een paar huizen van buren passeren voordat ik bij onze voordeur aankwam. Achter de ramen van de buren zag ik altijd van die liefelijke taferelen. Mensen die gezellig aan de grote tafel zaten te kletsen of te eten. Gezellige verlichting in het huis daarnaast. Mooie muziek klonk zachtjes door de ramen van het derde huis. En dan stond ik voor ons huis, alles donker, en alleen flikkerend groen licht van de televisie en altijd en eeuwig die voeten die boven de bank uitstaken.

Ik haatte het.

Meerdere malen had mijn man mij verzekerd dat wanneer ik er eenmaal in zou zitten het echt ontzettend leuk is om naar te kijken. Hierdoor zat ik dus avonden me doodongelukkig te voelen voor de televisie. Het beloofde gevoel kwam niet. Voor mijn verjaardag kreeg ik een seizoenkaart voor Feyenoord. Zijn gezicht straalde toen ik het papier van het kaartje had afgescheurd. Hij keek alsof ik zojuist dertig miljoen had gewonnen. Ik voelde alleen maar mijn hart zakken van de teleurstelling. Zo kwam het dat ik soms op zondag met mijn goede gedrag ineens in de Rotterdamse Kuip zat tussen allemaal mensen die massaal hun hersenen thuis hadden laten liggen. Het was gewoon echt niets voor mij.

Godzijdank verkochten ze er lekkere hamburgers en kon ik mijn emoties in toom houden door me lekker vol te proppen. Ik at er een bij de kraam en nam er nog een mee voor bij mijn zitplaats. Terwijl ik in het plastic kuipstoeltje (leuk woordgrapje) een hap wilde nemen van mijn broodje, sprong ineens iedereen overeind en klonken er geluiden die ik ook weleens in Artis had gehoord toen er een nieuwe gorilla in een verblijf werd geplaatst en de anderen het daar niet mee eens waren. Door het ongecontroleerde gespring naast me verdween er een uienring met een klodder saus rechtstreeks mijn decolleté in. “Fuck”, mompelde ik. Mijn man stootte me net iets te enthousiast aan met zijn elleboog en gilde: “Mooi hè?”

Door de stoot met de elleboog voelde ik het uienkwakje nu echt mijn beha inlopen. “Ja prachtig”, zuchtte ik terwijl ik met het servet onhandig probeerde nog iets op te vissen tussen mijn borsten vandaan. Godzijdank won Feyenoord die dag, anders zou hij de hele dag niet te genieten zijn geweest. Eindelijk naar huis, dacht ik. De sfeer buiten het stadion was grimmig. Overal liepen politiepaarden en er stonden busjes van de ME. Er werden leuzen geschreeuwd over en weer en ik voelde mij er allesbehalve veilig. Wat een onzin dit. En wat zijn er een hoop mensen op de been om ervoor te zorgen dat mensen elkaar hier niet ter plekke gaan vermoorden. Triest. Ik haat voetbal.

Ik ben inmiddels al bijna achttien jaar gescheiden van deze man en kan me nog als de dag van gisteren herinneren dat ik voor het eerst in mijn eigen nieuwe huis zat met mijn eigen televisie. Ik was aan het zappen en er kwam voetbal voorbij. Het gevoel dat ik hem over kon zetten op Rad van Fortuin voelde als een orgasme. Inmiddels ben ik al vijftien jaar met mijn huidige man. Mijn eerste vraag aan hem bij onze kennismaking was hoe hij heette, en de tweede was of hij van voetbal hield. Godzijdank deelde hij mijn haat aan voetbal. Perfecte match!

Nooit zou ik me meer hoeven ergeren aan deze sport. Het feit dat ons kind geboren werd als jongetje gaf mij nog geen enkele reden om in paniek te raken. Met zijn vijfde jaar zette ik hem op een pony en leerde hem rijden. Over voetbal werd nooit gesproken. Hij viel tijdens een les van een pony af en besloot nooit meer te gaan paardrijden. Hij wilde op voetbal. Met grote tegenzin heb ik hem lid gemaakt van de plaatselijke voetbalclub en hoopte dat hij na een seizoen op tafeltennis zou willen of op ballet voor mijn part. Maar onze zoon bleek een fanatiek voetballertje te zijn en ging er helemaal in op. En aangezien ik de beroerdste niet ben, stond ik iedere zaterdagochtend langs de lijn om hem aan te moedigen.

Toch wel leuk dit.

Totdat bij een wedstrijd een vader van een spelertje van de tegenstander een partij uit zijn dak stond te gaan langs de lijn. Hij kon serieus zo de Kuip in tijdens een Ajax- Feyenoordwedstrijd. De grofheid van zijn uitspraken zorgde ervoor dat mijn tenen gekromd in mijn schoenen zaten. Kinderen huilden op het veld. De vader noemde het mietjes. Godzijdank wees iemand hem erop dat hij zijn gemak moest houden want het was niet om aan te horen. Mijn zoontje speelt al een aantal jaren met veel plezier en ik heb me daarbij neergelegd. Hij kent alle namen van alle spelers van alle clubs en hij slaapt in een bed wat op een doel lijkt.

Maar zelfs met die kleine mannetjes geeft voetbal nog weleens een grimmige sfeer. Hij besloot voor Feyenoord te worden en wilde een pet van deze club. Die kreeg hij. Maar al snel kwam hij huilend thuis. Een volwassen man op straat had hem aangesproken en gezegd dat Feyenoord een klote-club is. Hij wilde zijn pet niet meer op. Hij vroeg een Ajax-vest. Maar ook hier waren mensen over gevallen. Het woord Joden werd zelfs genoemd. Ik voelde mijn moederhart breken. Dit jongetje durfde geen club te kiezen want hij wilde dit gezeur ook niet meer. Een poosje ging hij club-loos door het leven maar ineens wist hij het. Hij draagt nu Barcelona T-shirts, Dortmund-sokken, een PSV-broek, een Feyenoord-pet en een Ajax-onderbroek.

Hij is nu voor iedereen een beetje en hij voelt zich daar goed bij. We hebben nog niemand erover gehoord. Misschien is dat de oplossing tegen alle haat en geweld. Laten we van alles en iedereen gewoon een beetje houden.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Lekkere smerige hond van me!

saskiadecember

“Houd die hond bij me weg, bah, zo smerig.”

Al mijn haren gaan direct omhoog staan wanneer deze zin bij mij binnenkomt.

Voor mijn deur staat de vader van een vriendje van mijn dochtertje. Het is een lange man met zo een Ajax-kapsel, zoals ik dat altijd noem. Van dat fluthaar wat door middel van wat stylingsmousse en een föhn vanuit de hoofdhuid nog net een tikkeltje omhoog springt voordat de rest van het haar futloos als twee gordijntjes langs zijn iets te bolle gezicht valt.

Op het schoolplein weet deze man met zijn arrogante houding toch nog menig vrouwenhoofd te doen omdraaien. Hij is zich hier altijd zeer bewust van en deinst er niet voor terug om in enkele van deze welwillende moeders hun billen te knijpen.

De geruchtenmachine draaide een tijd op volle toeren. De man in kwestie zou een affaire hebben met een moeder verderop in de straat. Er zouden zelfs camerabeelden zijn waarop hij te zien was in vol ornaat voor een webcam. Diverse moeders stonden, wanneer zij hun kroost gedag gekust hadden, in groepjes op het plein alle roddels met elkaar door te nemen. Wanneer de vrouw van de man voorbij liep hielden ze plotseling allemaal op met praten en glimlachten ze allemaal even schijnheilig naar haar tot ze het plein af was.

Ik ving een keer wat van deze gesprekken op.

“Ze schijnt niet echt geil te zijn”, hoorde ik een vrouw zeggen. Waarop de andere dames kinderlijk begonnen te giechelen.

Nu ben ik er niet zo een voorstander van om iemand af te kraken om hun uiterlijk maar deze keer kon ik het niet laten om in mijn hoofd te denken dat de vrouw die deze nare opmerking maakte notabene Crocs droeg onder een joggingsbroek!

Ik wilde dit hardop zeggen maar bedacht me net op tijd. In plaats daarvan hoorde ik mijzelf zeggen: ”Misschien niet bij hem, nee.”

Vier emotieloze gezichten staarden mij aan. Ze bekeken mij even van top tot teen om vervolgens hun cirkeltje weer te sluiten en hun achterlijke gegiechel weer te laten horen.

“Ik heb zijn telefoonnummer gekregen”, hoor ik een van de vrouwen jubelen. Waarop twee vrouwen als kleuters in hun handen beginnen te klappen en op en neer springen. De derde vrouw reageert heel anders, jaloers, valt me op.

Hoe is het toch mogelijk dat er nog vrouwen bestaan die zich nog gevleid voelen ook, als ze het nummer krijgen van de man van een moeder van een kindje waar jouw kindje bij in de klas zit? Waarom word je daar opgewonden van? Waarom is er niet een moeder die zo een man eens zegt dat hij zijn ego beter kan laten opkrikken buiten de school. Waarom ga je niet lekker naar een kroeg? Nu hoor ik bijna iedereen denken; ‘Nou, waarom zeg jij dat niet?’

Dat komt omdat ik met mijn eigen ontrouwe verleden nooit meer geloofd wordt. Als ik deze man de waarheid ga vertellen kan ik er donder op zeggen dat straks het verhaal dan de ronde doet dat ik het ook met hem doe. En iedereen zal dit dan geloven. Wanneer je eenmaal het stempel hebt van ontrouw kom je hier nooit meer vanaf.

Zo stond ik eens in mijn stamcafé, op twee januari, voor een nieuwjaarsborrel. De portier kuste mij drie zoenen op mijn wangen en wenste mij een gelukkig nieuwjaar. Een vrouw die al jarenlang een oogje heeft op mijn man zag haar kans schoon en belde mijn man op met de mededeling dat ik stond te zoenen in de kroeg. Aangezien ik mijn man nog niet zo lang daarvoor belazerd had, kreeg hij de schrik van zijn leven en belde mij woedend om te zeggen dat ik direct naar huis moest komen. Ik had geen idee wat er aan de hand was. Toen ik hoorde wat er gebeurd was ben ik als een dolle stier naar de desbetreffende vrouw gereden met mijn man in mijn kielzog. Ik spatte bijna uit elkaar van woede, hierdoor biechtte de vrouw in kwestie direct op dat ze gelogen had gelukkig.

Maar door dit geintje ben ik mij er zeer bewust van geworden dat ik snel alle schijn tegen zou hebben en mensen mij dus makkelijk zouden kunnen kwetsen. Toen de Ajax-kapsel-vader op een dag tegen mij aan begon te rijden met de mededeling dat hij had gehoord dat ik nogal ondeugend was, gingen bij mij dan ook direct alle alarmbellen rinkelen.

“Je moet niet alles geloven wat ze zeggen”, bitste ik hem toe en wilde doorlopen.

Met een snelle beweging pakte hij mijn jas vast en zei met een nare blik in zijn ogen: “Waar rook is, is vuur, en ik denk dat jij heel ondeugend bent.”

Ik haat het woord ondeugend. Ook van het woord ‘verwennen ’krijg ik de kriebels.

“Als je mij nu niet heel snel loslaat dan zal je meemaken hoe ondeugend ik ben, dan trek ik je kop eraf”, sis ik naar hem, en ruk me los.

Even leek hij in de war, maar hij herpakte zichzelf en zei; “Flikker maar op ook, je lijkt me totaal niet geil, net als mijn eigen wijf.”

Ik kon mijn oren niet geloven. Daar komen die praatjes dus vandaan! Hoe haalt hij het in zijn hoofd om zo over zijn vrouw te praten hier op het schoolplein? Hoofdschuddend was ik weggelopen. Een stem in mijn hoofd bleef zeggen dat ik niet moest reageren. Ik zou me niet uit mijn tent laten lokken door deze sneue gast. En nu ineens stond hij voor mijn deur en heeft hij het lef om te zeggen dat ik mijn hond bij hem weg moet houden omdat hij die smerig vindt!

Het incident was al jaren geleden, en jaren heb ik niets teruggezegd, maar deze dag kon ik het niet tegenhouden. Mijn prachtige lieve hond, die zo een eikel ook nog eens allerhartelijkst begroet terwijl hij dit soort dierenliefde niet eens verdient, wordt smerig genoemd.

Ik roep mijn hond bij me, kijk de man strak aan, zijn zelfingenomen grijns irriteert me tot op het bot, en ik zeg: “Smerig? Jij met je blote piemel voor de webcam van de vrouw verderop, dat is pas smerig! Jij die roept dat zijn eigen vrouw niet geil is op een schoolplein vol moeders die erom lachen terwijl je vrouw nietsvermoedend voorbijloopt, DAT is pas smerig!”

Ik heb ook liever niet dat je met jouw smerige handen aan mijn allerliefste hond zit, straks besmet je haar nog met al jouw droefheid.”

De zelfingenomen grijns verdween als sneeuw voor de zon en nam plaats op mijn gezicht.

“Doe je de groeten aan je lieve, mooie vrouw van mij?”

Heel zachtjes sloot ik de deur en maakte een wel heel bijzondere dans-move waarop mijn hond mij enthousiast besprong en me over mijn gezicht likte.

“Kom maar hoor, lekkere smerige hond van me.”

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Pieken met Kerst

saskerst

Mijn favoriete tijd van het jaar breekt weer aan. De tijd van knisperende haardvuren, warme chocolademelk en kaarsjes. De tijd dat het gourmetstel weer onder uit de kast mag komen en wij met lieve familie of vrienden gezellig samen kunnen zijn. Maar voordat we echt ontspannen ons kunnen verkneukelen aan de glanzende pakjes onder de mooi versierde kerstboom hebben we vaak eerst nog te maken met de kerst-stress.

Ik vraag mij af of het daarom de donkere dagen voor kerstmis heet. In iedere familie speelt er bijna altijd wel iets vervelends waardoor er met Kerstmis een schema opgesteld moet worden over bij wie we waar zijn en wanneer. Of we voor iedereen wel zo een beetje hetzelfde bedrag hebben uitgegeven aan cadeautjes en of die sokken toch niet beter nog aan opa gegeven kunnen worden omdat hij anders een pakje minder heeft.

De gourmetschotels moeten besteld worden bij de slager en wanneer we deze op kunnen halen lijkt het wel alsof het gratis weggeven gaat worden, zulke lange rijen staan er dan. Sauzen die opraken in de supermarkt en mensen spontaan de Kerstgedachte vergeten wanneer ze samen aan de laatste pot knoflooksaus staan te trekken.

Maar ik weet niet of ik dat het ergste vind aan de dagen voor Kerstmis. Het meeste stress krijg ik toch ieder jaar weer van de last-minute-telefoontjes van baasjes die plotseling allemaal in dezelfde week besloten hebben dat hun geliefde viervoeter toch nog even naar de kapper moet. Vaak zijn dit ook nog eens de kolossale honden die door de drukte een keertje extra met de honden-uitlaat-dienst mee mochten en daar fijn nog even hun energie kwijt konden raken door in de goorste sloten te gaan liggen. Aangezien onze winters tegenwoordig qua temperatuur bijna nooit meer onder het vriespunt komen en de sloten niet meer dichtgevroren zijn kan dit altijd nog makkelijk. En aangezien de vrouwen des huizes het nu eenmaal niet prettig vinden dat wanneer tante Thea en ome Henk eindelijk weer eens op visite komen hun huis ruikt naar de plaatselijke viskraam, waardoor Brutus die nu eenmaal gezien zijn gewicht niet makkelijk de trap op kan naar de badkamer, nu toch echt even naar de trimster moet.

Daar waar ik in november altijd even check of mijn telefoon het nog wel doet omdat deze nooit meer over lijkt te gaan, daar staat deze in december altijd roodgloeiend. De hondenparfum is in deze maand niet aan te slepen. De honden die het hele jaar gewoon naar hond mogen ruiken moeten rond Kerstmis toch echt ruiken naar geurkaarsjes. Zo ook deze keer. Van de ochtend tot de avond was, föhn en knip ik alsof mijn leven ervan af hangt. Ondertussen neem ik steeds nieuwe telefoontjes aan. Met de hoorn tussen mijn oor en mijn schouder geklemd was ik ondertussen alle modder van de zwemfanaten en probeer ik uit te leggen dat ik vandaag echt geen tijd meer heb om Fifi ook nog in bad te doen. Soms krijg ik windkracht tien in mijn oor geblazen van de frustratie en hoor ik de meest vreselijke redenen waarom ze mij niet eerder gebeld hebben.

Zo ook de baas van een enorme Berner Sennen hond.

“Goedemiddag, ik weet dat het nogal kort dag is maar heeft u vandaag nog tijd om Beer in bad te doen?’ De mannenstem klinkt als iemand die smeekt voor zijn leven wanneer hij mij deze vraag stelt.

“Sorry meneer, ik zit al helemaal vol vandaag, maar over twee weken zou ik daar nog wel tijd voor vrij kunnen maken. Dan is hij net voor kerstmis toch nog keurig schoon.”

“Nee, het moet echt nu want we hebben hem net en hij stinkt als een bunzing en moet morgen gecastreerd worden bij de dierenarts.”

“Tja, dat is vervelend, maar dat gaat mij helaas echt niet lukken nu”, zeg ik met zoveel mogelijk medeleven in mijn stem.

“We wilden eerst nog even wachten met castreren, maar onze Beer is wat dominant en duikt op alle teven die hij maar voor zijn poten kan krijgen”, zegt de man wanhopig. Ik grinnik en kan niet laten om te zeggen: “Wat een geile beer joh.”

Gelukkig kan de man er ook om lachen. We spreken uiteindelijk af dat wanneer Beer gecastreerd is en zijn hechtingen eruit zijn, ik hem dan op eerste Kerstdag nog wel even voor hem wil wassen en trimmen ondanks dat de salon dan eigenlijk al gesloten zal zijn. Dankbaar neemt hij dit aanbod aan.

De weken vliegen voorbij. Ondanks dat het stervensdruk is in de salon fluit ik de dagen door. Onafgebroken kerstliedjes op de radio, de kleine kunstkerstboom en de gouden kerstversiering in mijn salon maken het gezellig om te werken nu. Iedere klant die zijn of haar frisgewassen en geknipte hond komt ophalen krijgt van mij een plastic doorzichtige kerstbal met wat schone afgeknipte haartjes van hun huisdier mee naar huis. Het cadeautje wordt iedere keer jubelend in ontvangst genomen en voor deze mensen zit de grootste Kerst-stress er nu op. Hun visite kan hun hond bewonderen en ze zullen de complimentjes over hun bloemengeur en zachte vacht maar wat graag in ontvangst gaan nemen.

Op eerste Kerstdag is daar dan mijn stinkende Berner Sennen Beer. Hij doet zijn naam eer aan. Het is een flinke jongen en hij ruikt inderdaad niet naar bloemetjes. Zijn operatie was prima verlopen en de wond was keurig geheeld. De eigenaar was nog niet te spreken over zijn gedrag, aangezien meneer Beer nog steeds zijn geiligheid botvierde op alles wat hij tegenkwam. Ik legde de man uit dat de hormonen die dit gedrag waarschijnlijk veroorzaken nog niet zijn lichaam uit waren en dat dit dus nog wel eventjes zou duren voordat deze gevoelens wat minder zouden worden. Hij hoopte maar dat ik gelijk had. Nadat hij de rijdende hond van zijn been had afgeduwd liet hij hem zuchtend bij mij achter.

Ik deed de hond in bad en het water wat van hem afliep was bijna groen, zo vies was hij. Hij onderging het allemaal gelaten. Nadat ik al het dode haar van de hond af had geblazen en hij als een soort pluche teddybeer al glanzend op mijn tafel stond, knipte ik zijn voetjes netjes uit en rond, plukte zijn oren weer in zijn oorspronkelijke vorm, knipte zijn nagels, maakte zijn oren schoon en schoor zijn liezen uit. Op de plek waar ooit zijn mannelijkheid had gezeten waren zijn haren al door de dierenarts weggeschoren en meneer Beer had ook liever niet dat ik daar in de buurt kwam. Nadat ook hij voorzien was van een lekker luchtje mocht hij weer op de grond. Ik veegde zijn haren van de muren en de grond en toen ik bukte om deze op te pakken werd ik vanachter door de hond vastgepakt met zijn voorpoten. Als een malle begon hij tegen mijn rug op te rijden waardoor ik mijn evenwicht verloor. Net op dat moment kwam zijn baas binnen, hij lachte zo hard dat zelfs mijn buren het gehoord konden hebben.

“Stoor ik?”, gierde hij het uit.

“Hij heeft hele andere Kerstgedachtes dan ik”, lachte ik vanonder de hond terug.

Uiteindelijk wist ik mijzelf te bevrijden en gaf de hond een duidelijke waarschuwing dat dit gedrag niet gewenst was. De man kon niet meer stoppen met lachen omdat het beeld van de hond op mijn rug hem niet losliet. De tranen stroomden over zijn wangen. De hond ging op de grond liggen en likte de plek waar zijn geliefde ballen niet meer zaten.

“Het zijn voor hem ook donkere dagen voor kerst geweest”, merk ik op.

“Het weerhoudt hem er nog niet van om te pieken met Kerst”, gierde de man.

Ik overhandigde de man twee plastic kerstballen met de haren van Beer erin, een voor zijn vrouw en een voor hemzelf. “Alstublieft, twee nieuwe ballen”, zei ik met een glimlach.

“Daar ga ik thuis dan maar de blits mee maken”, zei hij terwijl hij de tranen van zijn wangen veegde. Ik hield de deur open voor het gezellige tweetal. Gierend van de lach tilde de man zijn hond achterin de auto waarna deze direct op een opgerolde handdoek begon te rijden.

“Ik wens je een piekfijne Kerst toe met je gezin”, zei de man toen hij de achterklep sloot.

“Ja jullie ook, en de ballen!”, hikte ik.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Spreken is zilver, zwijgen is fout.

saszwijgen

Als kind was ik altijd bang dat mijn ouders zouden sterven. Meer dan eens werd ik huilend wakker omdat ik levensecht gedroomd had dat ze omgekomen waren bij een ongeluk. Mijn vader sprak dan altijd de wijze woorden; “Een mens gaat zomaar niet dood.” Dit stelde mij altijd gerust. Het is waar. Je gaat niet zomaar dood. Een lichaam kan een heleboel hebben. Er zijn zat mensen die dood willen maar waarbij het ook niet vanzelf gaat. Nu ik volwassen ben droom ik niet meer over dodelijke ongevallen waarbij ik mijn ouders verlies.

Mijn zoontje daarentegen heeft blijkbaar veel van mijn genen want hij staat eens in de zoveel tijd midden in de nacht huilend aan mijn bed. Onder luid gesnik vertelt hij dan dat hij droomde dat ik dood ging in zijn dromen. Wanneer ik hem dan in mijn bed dicht tegen mij aan druk en hem in zijn oor fluister dat mensen niet zomaar dood gaan, voel ik hem ook rustig worden. We schuiven blijkbaar allemaal een plaatsje op in het leven. Het is zowel rustgevend als beangstigend om dit te beseffen.

Mijn ouders leven allebei gelukkig nog. Mocht een van hen nu het leven hier verlaten dan zou ik nog steeds intens verdrietig zijn maar ik ben niet meer bang dat ik dan niet meer verder kan leven. De natuur heeft dat goed geregeld. Wanneer mijn zoontje weer in zijn eigen bedje in slaap is gevallen en ik naar zijn lieve gezichtje sta te kijken bekruipt mij wel dat nare gevoel dat we allemaal om wat voor reden dan ook dood kunnen gaan. Ik hoop zo dat het mij pas gebeurt wanneer hij oud genoeg is om dan ook hardop te kunnen zeggen dat hij het zonder mij ook wel zal redden.

Eenmaal terug in mijn bed staar ik in het donker en vraag me af of er iets zou zijn als je dood bent gegaan. Het lijkt me beangstigend als je nog steeds mee kan krijgen wat er dan allemaal op aarde gebeurt. Dat je alles kan zien maar niet kan laten weten dat je er nog wat van mee krijgt. Ik zou het helemaal niet fijn vinden om mijn kinderen te kunnen zien huilen om mij of nog erger, dat ze je uiteindelijk aan het vergeten zijn. Ik hoop dat dood ook echt gewoon dood is.

Mijn gedachten maken overuren zo midden in de nacht. Plotseling denk ik aan katten. Katten hebben negen levens wordt er gezegd. Waar komt deze uitdrukking vandaan? Ik denk aan de tijd dat wij nog een kat hadden. Het was maar goed dat dat beestje negen levens had want met dit leven deed hij bar weinig. Hij lag hele dagen een beetje te slapen. Ik glimlach om mijn eigen gedachten. Ik denk aan hoe bizar het is dat mijn eigen kind met hetzelfde probleem kampt omtrent de angst voor de dood. Wanneer hij na een half uur wederom huilend aan mijn bed staat en hierdoor ook mijn dochter komt kijken wat er aan de hand is, besluit ik om het er eens over te hebben. De dood moet ons geen onnodige angst aanjagen. Ik besluit er luchtig met allebei mijn kinderen over te praten. Ik vertel ze dat het zeer onwaarschijnlijk is dat we jong zullen sterven en dat ze zich daar beter niet druk om moeten maken. Ik vertel ze ook dat als het noodlot wel toe zou slaan dat ze mij heel gelukkig zouden maken als ze dan verder gaan met hun leven zonder al teveel verdriet. Ik vind het idee dat ze in verdriet zouden blijven hangen en daardoor hun leven aan hun voorbij zouden laten gaan ondragelijk. Ze knikken allebei.

Misschien is het wel goed om het er eens over te hebben zodat je dan niet met teveel vragen blijft zitten. We zitten met elkaar op het bed en stellen elkaar allerlei vragen. Uiteindelijk maken we er zelfs grapjes over. “Ik hoop maar dat je niet heel vroeg sterft”, zegt mijn dochter dan zachtjes. Om eraan toe te voegen : “Want ik ben niet zo een ochtendmens.” We lachen allemaal. De zware lading van het gesprek is direct verdwenen. We knuffelen elkaar en zeggen dat we van elkaar houden. Zowel mijn zoon als mijn dochter slapen vrij snel na ons nachtelijk samenzijn weer.

Ik denk aan mijn ouders. Als wij vroeger weleens naar een pretpark gingen dan vroeg mijn moeder altijd waar we zouden afspreken als we elkaar kwijt zouden zijn. Daarna maakte niemand zich meer zorgen en konden we genieten van de dag. Nu ben ik veertig en zijn we elkaar allemaal in zekere mate kwijtgeraakt. Ik denk dat ik ze morgen ga opbellen om ze te zeggen dat we vergeten zijn waar we af moesten spreken als we elkaar kwijt zouden raken.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Kastenkobus

kastenkobus

Met een schuifspeldje in mijn mond probeer ik met beide handen boven mijn hoofd mijn getoupeerde staart zo neer te leggen dat het eruit ziet alsof ik zojuist gekapt ben door Leco zelf. Terwijl ik met een hand probeer het haar op de juiste plek te houden, pak ik met mijn andere hand het schuifspeldje uit mijn mond en schuif het op de plek waar mijn vingers zitten. Zonder mijn hoofd te bewegen kijk ik in de spiegel. Zo is het goed genoeg. Nu nog even een bus haarlak pakken en de boel zo vast spuiten dat zelfs orkaan Matthew hier geen beweging in zou krijgen.

Alsof ik een stijve nek heb draai ik mijn hele bovenlichaam richting de badkamerkast waar de haarlak staat. Ik zie de bus lak niet staan. Driftig verschuif ik alle flesjes en potjes door mijn kastje. “Kut”, sis ik zachtjes. Waar is die bus haarlak nou? Even vervloek ik mijn kinderen. In mijn gedachte stel ik mij voor hoe mijn zoon buiten met een vriendje op een afgelegen plekje de bus tevoorschijn haalt en met een uit de keuken gepikte aansteker even demonstreert hoe je er een gasbrander van kan maken.
Ik schud mijn hoofd bij deze gedachte. Nee dat zal hij niet zo snel doen. Door het schudden voel ik hoe mijn netjes gedrapeerde haren alweer een poging doen om naar beneden te zakken.

Met gefronste wenkbrauwen doorzoek ik nogmaals de hele kast.  Mijn dochter zal hem ook niet gebruikt hebben want die kamt haar haren amper, laat staan dat ze er haarlak in zal spuiten. Na tien keer alles heen en weer geschoven te hebben, geef ik het op. Ik vloek inwendig en trek alle schuifspeldjes weer uit mijn haar dat direct zoals het Nederlands pielepoep-haar betaamt steil naar beneden valt. “Dan maar los haar vandaag”, zucht ik hardop. Even een borstel erdoorheen en dan is het wel goed zo, besluit ik. Terwijl ik de borstel wil pakken uit het badkamerkastje zie ik ineens de fles haarlak staan. Gewoon recht voor mijn neus. Die was niet te missen.

“Kastenkobus”, fluister ik.

Vroeger vertelde mijn moeder dat wanneer je iets in eerste instantie niet ziet en het er dan plotseling wel weer is, dat dat Kastenkobus is die dat doet. Ik besloot hem eens te googelen maar er kwam niks. Ik dacht dat Kastenkobus een bekend fenomeen was, maar niets bleek minder waar. Kastenkobus bleek ooit verzonnen door Sheherazade, een vrouw die jarenlang voor de Libelle schreef. Deze vrouw is inmiddels overleden dus ik kan haar helaas niet meer vragen naar de door haar verzonnen Kastenkobus. Wat ik opmerkelijk vind is dat dit toch een vrij bekend verschijnsel is en er dus blijkbaar geen echte naam voor bestaat. Het is voor mij zeer zeker niet de eerste keer dat ik iets zocht wat er niet stond en na twee keer knipperen gewoon recht voor mijn neus bleek te staan.  Voor mij blijft het Kastenkobus.

Herman Finkers vertelde er ooit op zijn manier iets moois over. Hij vertelde dat hij zo vergeetachtig was, al zo lang als hij zich kon herinneren (die vond ik al briljant).
Hij schonk eens een borrel in en zette deze op het aanrecht. Vervolgens ging de telefoon. Eenmaal terug ,zei hij: “Nu zou ik toch zweren dat ik mijn borrel op het aanrecht had gezet. Maar waar ik ook keek, geen aanrecht.”
Ik denk niet dat dit het werk van Kastenkobus was, veel te veel gedoe. Wanneer ik later in de supermarkt een buurvrouw tegen het lijf loop zegt ze tactvol: “Goh, wat zit je haar..eh..apart!” “Ja, ik weet het. Dat is het werk van Kastenkobus”, zeg ik met een glimlach op mijn gezicht.
“Is dat een kapperszaak in de buurt?”, wil ze weten terwijl ze haar ogen niet van mijn droevige kapsel kan afhouden.
“Nee, het is een heel naar mannetje.”
“Waarom ga je er dan naartoe?”, vraagt ze onnozel.
“Ik ga er nooit naartoe, hij duikt zo nu en dan plotseling op, er is geen ontkomen aan.”
Verbaasd blijft ze me aankijken terwijl ze haar beide handen vragend omhooghoudt en haar schouders optrekt.
“Ooit kom je hem tegen.” Ik steek mijn hand op bij wijze van groet en loop verder.
In mijn ooghoek zie ik haar zoeken naar haar winkelwagentje terwijl die precies achter haar staat.
“Daar zal je hem net hebben”, roep ik nog naar haar. Verschrikt tuurt ze de winkel rond.
Schaterlachend loop ik naar de kassa, mijn buurvrouw in opperste staat van verbazing achterlatend.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Niet voor, niet tegen.

saspiet

Foto ANP

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Intelligent met domme krachten en krulletjes

sas

Regelmatig heb ik het geluk dat er een viervoeter mijn trimsalon binnen wandelt die zo aandoenlijk is dat ik het letterlijk voel in mijn hart. Er moeten vast mensen zijn die dit lastig te omschrijven gevoel herkennen. Laatst vertelde een vriendin dat wanneer ze naar haar jongste dochtertje keek het gewoon pijn deed, zoveel houdt ze van haar.

Ik gok dat wij hetzelfde gevoel bedoelen.

Laatst had ik er weer een. Een vrouw met een aller schattigst hondje aan een riempje wat het hele plaatje afmaakte. Alles aan dit hondje was fantastisch. Ten eerste zag hij eruit om op te vreten, zo pluizig en klein. Ten tweede had het hondje een karakter zoals je zou willen dat iedere hond die had. Blij maar niet te uitbundig, mooie heldere intelligente blik en voor de duvel niet bang. Brutaal maar niet ongehoorzaam. Alles klopte.

“Wat een ontzettend leuk hondje heeft u”, zei ik tegen de vrouw terwijl ik mijn ogen niet van het beestje af kon houden.

“Dankjewel, ik ben ook erg blij met dit hondje”, antwoordde ze met gepaste trots in haar stem.

“Wat voor kruising is dit?”, wilde ik weten.

“Het is geen kruising, het is een rashond”, zei ze resoluut.

Ik keek nog eens goed naar het hondje en mijn brein begon bijna te kraken bij het doorspitten van de duizenden hondenrassen die ik ken, maar er kwam in mijn hoofd geen match met dit hondje.

“Wat voor ras is het dan?” Ik hoopte dat ze geen ras zou noemen die me ontschoten zou zijn.

“Het is een maltipoo”, zei ze met een vriendelijke glimlach.

“Een maltipoo?”, herhaalde ik haar antwoord. Ik kon het niet laten om hardop te lachen.

“Dat is geen rashond, dat is een kruising van een Maltezer en een poedel”. Met mijn vingers veegde ik de tranen onder mijn ogen weg terwijl ik nog even na grinnikte om het woord maltipoo.

De vrouw zag de humor er niet van in en vertelde met een ernstig gezicht dat ze er tweeduizend euro voor had betaald en het dus wel degelijk een rashond was.

Nu had ik een heel relaas kunnen houden over stambomen, het erkennen van nieuwe rassen enzovoort. Maar vandaag had ik daar even geen zin in. In mijn vak heb ik bijna dagelijks te maken met onwetendheid over duizenden dingen, van gedragsproblemen bij honden waarbij al in de trimsalon duidelijk wordt dat deze door de eigenaar zelf veroorzaakt zijn, de honden met overgewicht ‘hij krijgt bijna niets’ en het overbekende ‘gek dat hij zo in de klit zit, ik borstel hem iedere dag.’ Die laatste zin heb ik de afgelopen twaalf jaar zo vaak gehoord dat ik er zonder bij na te denken altijd direct achteraan zeg: “Met een tandenborstel zeker?”

De maltipoo was deze dag voor mij gewoon een erkend ras, wat kan mij het ook schelen. En eerlijk is eerlijk, het zou best een erkend ras mogen worden want het is echt een leuke combi wat mij betreft.

Wanneer ik ‘s middags een rondje met mijn eigen grote poedel en mijn jonge rottweiler door het park loop tref ik een leuke man aan met een enorm speelse hond die met zijn kontje in de lucht aangeeft dat hij dolgraag met mijn rottweiler wil spelen. Dat laat ze zich geen twee keer zeggen en samen sprinten ze tussen de bomen door. Wat een heerlijk gezicht. Ik vind het sowieso al heel prettig als mijn rottweiler even lekker met een andere hond mag spelen. De meeste mensen lijnen hun hond aan als ze haar zien en maken direct rechtsomkeert. Vandaag hebben we geluk.

“Wat een leuke speelse hond heb je”, zeg ik tegen de man. Nou ja, man, hij lijkt mij hooguit een jaar of vijfentwintig. Hij heeft hip haar, een beetje zoals mijn zoontje, met zo een kaalgeschoren streep en daarboven met gel wat langer haar naar een kant.

“Ja gaaf beest he”, zegt hij terwijl hij lachend kijkt hoe onze honden als een Siamese tweeling behendig tussen de bomen zigzaggen.

“Wat is het voor hond?”

“Een borador”, zegt hij en begint direct te lachen. Ah iemand met humor, denk ik verrukt en ik raad de kruising. “Een border collie met een Labrador?”.

“Yep”, zegt de jongeman met een brede grijns. “Hij heet Slippertje”.

“Slippertje, laat me raden, het was geen gepland nest?”

De jongen legt zijn wijsvinger op zijn mond en fluistert: “Ssh, zeg maar niet te hard, ik wil hem niet kwetsen, hij kan er ook niets aan doen dat zijn vader destijds ontsnapte en hij de moeder die zo zorgvuldig bij hem weg was gehouden toch vond. Echte liefde kan je nu eenmaal niet tegenhouden.

Hij was niet gepland maar zeker wel “gewenst”. We gieren het allebei uit van het lachen. Na een tijdje weet ik dat de jongen werkt voor de gemeente, dat hij een leuke vriendin heeft en dat ze een babywens hebben. Ik vertel over mijn werk als trimster, de vooroordelen over de rottweiler en hoe leuk ik het vind eens iemand te ontmoeten met wie ze lekker mag spelen.

“Grappige combinatie heb jij trouwens, een poedel en een rottweiler. Zie je niet vaak.”

“Het zijn mijn twee favoriete rassen, ik kon niet kiezen. Mijn man wilde eigenlijk geen poedel, maar met een rottweiler erbij liep hij minder voor schut vond hij.”

“Ja een poedel is ook best truttig”, lacht de jongen hardop.

Nu is het mijn beurt om mijn wijsvinger op mijn mond te leggen. “Beledig de koningin niet”.

“Je brengt me trouwens ineens op een briljant idee “, ik stoot de jongen in mijn enthousiasme hard aan waardoor hij bijna valt. Ik schater het zelf al uit van het lachen om mijn eigen gedachte.

“Ik ga ook maar eens een nestje fokken denk ik.” De jongen kijkt me vragend aan.

“Ja met mijn poedel en mijn rottweiler. Het wordt vast het nieuwe zogeheten ‘designerbreed’. “Designerbreed?”, de jongen kent deze term niet.

Ik leg hem uit dat sommige kruisingen designerbreeds genoemd worden omdat ze zo populair zijn. Bijvoorbeeld de labradoodle en de maltipoo.

“Mijn ras moet een gat in de markt zijn, rottpoedels! Ideaal voor de vrouwen die van hun man geen poedel mogen omdat ze truttig zouden zijn.

Net op dat moment loopt de borador van de jongen in zijn lompigheid tegen mijn poedel aan. Dit laat ze niet op zich zitten en met een opgetrokken lip en flink geluid laat ze even weten dat ze met haar twaalf jaar en magere oude lijf nog altijd de koningin van het park is waar je ontzag voor dient te hebben. Truttig komt in haar woordenboek niet voor. Van schrik loopt mijn rottweiler tegen een boom aan.

Slippertje spreekt ondanks zijn vreemde komaf exact dezelfde taal en druipt af.

“Ik denk toch niet dat het verstandig is, een mix van de poedel en de rottweiler”, zeg ik lachend.

“Want?”

“Dan krijgen we hele intelligente waakhonden met domme krachten”.

“En krulletjes”, lacht de jongen.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Hilarische baasje en hond taferelen.

saskia

“Kom voorrrrr”. Ik schrik van de plotselinge kreet van de man die op het grasveld naast het hondenuitlaatpad staat. Net op het moment dat ik hem passeerde dacht ik nog, wat een enge man, wat staat hij daar nou in zijn eentje met die wollen grijze muts over zijn oren getrokken op dat grasveld.

Vanuit de bosjes komt er met een bloedgang een enorme Duitse Herder tevoorschijn. In een rechte lijn rent hij op de man af, en een centimeter voor zijn voeten gaat hij zitten en kijkt met zijn tong uit zijn mond enthousiast naar zijn baas. “Af”, klinkt het streng. De hond duikt direct plat op de grond. “Blijf”, zegt de man terwijl hij met zijn wijsvinger zijn commando kracht bij zet. De man draait zich om en loopt weg van de hond. Met grote stappen loopt hij mijn richting op.

Het is een hele lange man. Zijn handen zitten diep in zijn zakken gestoken, tientallen gele bladeren verpulveren onder zijn zware bergschoenen. Ik besef dat ik stil was blijven staan en loop snel verder. “Goedemiddag”, zegt de man met een vriendelijke stem die ik niet bij zijn uiterlijk vind passen. “Goedemiddag”. Langs zijn gezicht kijk ik naar de hond die nog steeds plat in het gras ligt. Zijn oren zijn gespitst en wachten duidelijk op het seintje dat hij mag komen. De man besteedt geen aandacht aan de hond en lijkt meer geïnteresseerd in mij. Zijn ogen glijden over mijn lijf heen. Het geeft mij een ongemakkelijk gevoel. Ik kijk snel even om mij heen. In de verte komt er gelukkig iemand aanlopen.

“Wat een goed opgevoede hond heeft U”, zeg ik terwijl ik een knikje maak met mijn hoofd richting de hond. De man kijkt voor het eerst ook weer even naar zijn hond waarop deze direct zijn hoofd nog iets hoger houdt. Als de man weer wegkijkt zakt het hoofd teleurgesteld weer naar beneden. Nog steeds geen nieuw commando. “Bedankt, dat is mijn passie. Honden trainen zit in mijn bloed”. “Knap hoor”, zeg ik gemeend en maak aanstalten om weer door te lopen.

De persoon die ik in de verte aan had zien komen lopen is nu heel dichtbij. Het is een jonge vrouw met een Chihuahua aan een riempje. Ze glimlacht naar ons. Ik zie dat haar ogen plotseling blijven hangen op de Herder in het gras en met een snelle beweging pakt ze direct haar hondje op en houdt deze op haar arm. “Waarom pak jij jouw hond op?”, vraagt de man. Hij fronst zijn donkere wenkbrauwen die hierdoor tegen de rand van zijn muts aangedrukt worden. “Omdat mijn hond bang is voor Herders, hij is vroeger aangevallen door een Herder”. “Aangevallen?”, herhaalt de man. “Ja, toen hij klein was”.

De man kijkt even naar het hondje op haar arm en begint dan hardop te lachen. “Toen die klein was?”, buldert hij. De vrouw glimlacht flauwtjes. De man blijft lachen. “Die Herder was zeker al heel oud dan?”. “Geen idee, hoezo vraagt u dat?”. “Nou, jouw hondje heeft de aanval van een Duitse Herder overleefd. Die herder zal wel geen tanden meer gehad hebben dan denk ik. Of had hij wel bijtwonden?”. “Nee, ze had gelukkig niks”, zegt de vrouw bloedserieus. De man kijkt haar aan alsof hij water ziet branden en schudt zijn hoofd. “Aangevallen, zei je toch net?” “Ik was er erg van geschrokken “, zei de vrouw zachtjes. Ik vermoed dat ze zelf ook wel weet dat dit waarschijnlijk geen echte aanval was geweest destijds. “Dus als ik het goed begrijp til jij nu je hondje bij iedere herder op omdat jij er bang voor bent?”.

Ik voel de spanning in de lucht hangen en vraag me af waarom ik hier nog bij sta. Ik heb totaal geen zin om in dit gesprek betrokken te zijn. Plotseling verandert de houding van de rustige vrouw. “Laat mij lekker mijn hondje beschermen als ik dat prettig vind”, schreeuwt ze ineens. Vanuit het niets geeft ze de man een harde duw tegen zijn schouder waardoor de Chihuahua zijn lip optrekt en hard begint te blaffen. Ik steek mijn hand op en besluit om snel verder te gaan. “De man steekt allebei zijn handen in de lucht naar de vrouw met de Chihuahua en zegt: “Rustig maar hoor, ik wist niet dat je kwaad werd”. “Kom Nero wij gaan lekker verder wandelen”, zegt de vrouw tegen haar hondje.

Nero, denk ik, en lach in mezelf. Met gebogen hoofd vervolg ik mijn weg in de tegenovergestelde richting als de vrouw. De man blijft in het midden achter. Mijn hart slaat een slag over wanneer ik weer die enorme harde kreet hoor: “Kom voorrrrr!”. Wanneer ik achterom kijk zie ik hoe de hond dolenthousiast voor zijn eigenaar zit. De man aait hem en zegt: “Braaaaf Peertje”. Peertje! Hoe komt die erop denk ik.

De volgende dag zie ik de man stomtoevallig voor de tweede keer lopen. Peertje loopt dicht naast hem. Hij steekt zijn hand naar mij op. Ik zwaai terug en loop snel door. Vanuit een zijweg komt de vrouw met de Chihuahua aangelopen. De man ziet haar ook aankomen. Vliegensvlug tilt hij zijn herder op. Een hand onder zijn buik en een hand onder zijn hals. De grote herder hangt gewillig in zijn armen als hij de vrouw met de Chihuahua passeert. Zijn gezicht strak in de plooi. De vrouw laat haar Chihuahua op de grond lopen en kijkt naar dit vreemde tafereel met verbazing in haar ogen. Op het moment dat ze elkaar passeren zegt de man tegen zijn hond: “Niet bang zijn Peerke, alles komt goed”.

“Wat doe je nou toch achterlijk”, zegt de vrouw met een veel te hoge stem. “Ja sorry, maar ik ben weleens aangevallen door een vrouw met een Chihuahua en sindsdien ben ik een beetje bang geworden.

Samen met Saskia Storyteller: Ik ben benieuwd wat er morgen op je theezakje staat!

 

Het is oktober 2015 wanneer ik ’s ochtends vroeg sta te wachten tot de waterkoker eindelijk klaar is. Soms vraag ik mij af of de ouderwetse fluitketel niet sneller was. Het lijkt echt een eeuwigheid te duren voordat het water kookt en het knopje omlaag klikt.
Ik pak een zakje met groene thee en hang dit in de beker met de tekst “Keep calm and carry on”.

Aan het touwtje zit een label waar met rode letters een tekst op gedrukt staat. “Als je alle tijd van de wereld zou hebben, wat zou je dan doen?”, staat er.
Terwijl ik het kokendhete water in de mok schenk denk ik diep na over deze vraag. Ik kom nergens op.
Aan tafel staar ik voor mij uit en probeer geforceerd een antwoord te geven op deze vraag. Reizen, een studie volgen, alle boeken lezen die nog op mijn lijstje staan. Maar ik voel dat dit niet de oprechte antwoorden zijn voor mij.
Wat dan?
Ineens voel ik het in mijn buik wanneer ik eraan denk. Uren paardrijden op de Veluwe. Dat is wat ik oprecht het allerleukste vind om te doen. Als ik de gelegenheid had zou ik dit iedere dag wel willen. En dan niet een uurtje, nee uren, zwerven door het bos en over de heide, met niets anders om mij heen dan het geluid van een krakend zadel en de voetstappen van mijn paard door de afgevallen bladeren.
Iets mooiers bestaat er voor mij niet.

Alhoewel, ik zou dit ook eens samen met mijn man willen doen.
Hij heeft niet zoveel met paarden maar mijn paard vindt hij wel leuk.
De tekst op het theezakje houdt mij de hele dag bezig en ’s avonds vertel ik mijn man over mijn wens.
Ik had verwacht dat hij zou glimlachen en er verder niet al teveel op in zou gaan, maar tot mijn grote verbazing zei hij: ”Nou, dan gaan we dat toch een keer doen?”.
“We kunnen jouw paard meenemen en er nog een leuk rustig paard bij huren. Als we dan alleen gaan stappen, dan wil ik wel mee”.
Direct ging ik aan de slag om dit te regelen, bang dat hij zich morgen zou bedenken.
Zo kwam het dat wij nog geen week later samen bij het fantastische hotel de Cantharel in Apeldoorn arriveerden.
Op de afgesproken tijd werd het huurpaard gebracht. Terwijl ik zowel dit paard als mijn eigen paard aan het zadelen was, zei mijn man plotseling: “Ik ga wel op jouw paard want die vertrouw ik”.
“Meen je dat serieus?”, zei ik lachend.
Mijn paard heeft als hij eenmaal besloten heeft eens even lekker zijn benen te gaan strekken nog weleens wat problemen met de rem. Of eerlijk gezegd, er zit dan geen rem op.
Mijn man aaide mijn paard over zijn mooie donkerbruine hals en zei zachtjes tegen hem: “Bij mij doe je dat niet he?”.
“Nou ok, als jij je daar prettiger bij voelt dan mag jij op hem, dan neem ik het andere paard wel”.

Ik hielp mijn man met opstijgen en steeg daarna zelf ook op. Via een zandpad kwamen we bij een groot hek dat toegang bood tot het bos.
Het huurpaard bleek ontzettend braaf te zijn en mijn paard volgde als een mak schaap dit onbekende dier. Het was een heerlijk gezicht om mijn man op mijn geliefde viervoeter te zien zitten.
De natuur was prachtig in deze tijd van het jaar. De bladeren die nog aan de bomen hingen hadden de mooiste kleuren, van goudgeel, naar knalrood. Het knisperen van de blaadjes onder de hoeven van de paarden gaven mij een gevoel alsof ik high was geworden van een of andere drug.
Ik ademde de koele boslucht diep in en besefte wat een bevoorrecht mens ik was. Te midden van dit prachtige natuurgebied, waar wij nu al uren rondzwierven zonder ook maar een mens tegen te komen, zat ik te paard met mijn grote liefde. Iets mooiers dan dit is er simpelweg niet.
Zo trots als een pauw was ik op mijn man, die helemaal niet echt kan paardrijden, maar toch het lef had om op mijn 500 kilo wegende paard te gaan zitten. Mijn paard moet hebben gevoeld hoe relaxt mijn man op zijn rug zat want hij gedroeg zich werkelijk voorbeeldig. Geen stap verkeerd.
Naast elkaar liepen wij het terrein van het hotel weer op. Intens gelukkig voelde ik mij, euforisch zelfs.
Aan een voorbijganger vroeg ik of ze dit mooie moment vast wilde leggen met mijn camera.
Daarna haalde ik mijn voeten uit de stijgbeugels en zwaaide mijn been over de rug van mijn paard en sprong naast hem op de grond.
Mijn man bleef zitten. Het hoofdstel deed ik af en bond het paard aan het daarvoor bestemde hek.
Daarna liep ik naar mijn man en zei dat hij eraf kon komen. Hij keek mij even strak aan en zei toen: “Dat gaat dus niet”.
“Hoezo? Dat gaat dus niet?”
“Ik voel mijn benen niet meer”, zei hij gierend van de lach.
Alsof hij meervoudig gehandicapt was hielp ik hem zijn been over het zadel te doen. Hierbij schopte hij mijn paard per ongeluk tegen zijn rug. Mijn paard verroerde geen vin en leek zich bewust van mijn man zijn lichamelijke toestand na een paar uur in een voor hem onnatuurlijke houding te hebben gezeten.
Hangend op zijn buik aan het zadel liet hij zich langzaam op de grond zakken. Opgelucht dat hij er vanaf was wreef hij hard over zijn beide bovenbenen.
“Mijn hemel zeg, wat doen mijn benen zeer”. Als een cowboy liep hij wijdbeens achter mij aan. Zijn benen weigerden hun oorspronkelijke stand weer aan te nemen.
De paarden werden allebei verzorgd en gevoerd en kregen een lekkere warme deken op. Al jubelend praatte ik honderduit over hoe geweldig ik deze dag vond. Mijn man glimlachte alleen maar.
“Vond je het niet geweldig?”, gilde ik in zijn oor terwijl we hand in hand richting het hotel liepen.
“Ja schat, prachtig”, zei hij uiterst kalm. Hij liep naast mij alsof hij in zijn broek gepoept had.

Gelukkig hadden wij een kamer met een jacuzzi geboekt. In het hete water konden zijn spieren zich weer lekker ontspannen.
Samen lagen we naar de lampjes boven het bad te staren toen mijn man plotseling zei: “Ik ben benieuwd wat er morgen op je theezakje staat”.
Bij het ontbijt ’s morgens opende ik een theezakje en glimlachte terwijl ik het las.
“Wat staat er?”.
Ik liet mijn man het labeltje zien.
“Welke dag uit je leven zou je opnieuw willen beleven?”.
“Ik weet het al”, riep ik direct.
“Welke dan?”, vroeg mijn man geïnteresseerd.
“Gisteren”, zei ik stellig.
“Als mijn benen ooit weer recht gaan staan, dan wil ik het nog wel een keertje doen”.

Het is nu oktober 2016 en volgende week gaan we weer terug naar deze fantastische plek. Ik kijk er halsreikend naar uit.
Mijn man bracht mij zojuist een kopje thee en grijnsde er ondeugend bij. “Wat zit je te grijnzen schat?”.
Hij wijst naar het labeltje en zegt: “Het antwoord daarop zal ik je volgende week laten voelen. Alleen wel vóór het paardrijden”. Lachend liep hij met overdreven O-benen weg.
Ik pak het label vast en draai het om.
“Wat is je favoriete spel?”, lees ik hardop. Vanuit de keuken klikt mijn man met zijn tong en maakt een Michael Jackson-achtige-move inclusief gilletje.
Ik spuug mijn thee uit over de tafel van het lachen en begin het oude liedje van de Pickwick-reclame hardop te zingen.
“What a difference this tea makes”.