Samen met Saskia Jansen Storyteller: Dat is dan 85 euro

Sasjansen

“Wat is de naam van uw hond?”, vraag ik aan het echtpaar die voor de eerste keer in mijn salon zijn.

De vrouw ziet er vriendelijk en verzorgd uit. Ze heeft mooi zilvergrijs kort haar en een moderne bril met een rood montuur. Aan haar oren hangen gouden oorbellen met een rood steentje erin. Ik schat haar een jaar of 65. De man ziet eruit alsof hij net uit een verbouwing is weggelopen. Er zit opgedroogde verf op zijn schoenen en zijn broek en zijn grijze haren zijn nog witter door een laag stof. Hij lijkt een stuk ouder dan zijn vrouw maar daar zou ik mij best in kunnen vergissen.

“Wammes heet ze “, beantwoordde de vrouw mijn vraag. “Maar wij noemen haar Pluche”, zegt de vrouw bloedserieus. “Dat heeft werkelijk de logica van een aardbei “, denk ik terwijl ik Wammes op de klanten kaart schrijf. Wammes is een Dwergpoedel teefje van nog geen twee jaar oud. Naast haar oogjes zitten wat bruin verkleurde traan streepjes en ook op haar voeten heeft ze deze verkleuring. “Mag ik uw adres noteren?, en wat is het telefoonnummer waar ik u straks op kan bereiken als Wammes klaar is?”

Alle gegevens en bijzonderheden worden genoteerd en ik beloof te bellen zodra ze Wammes weer op kunnen halen. Het hondje zit behoorlijk in de klit maar aangezien ik alle tijd heb nog, borstel ik haar voorzichtig maar zorgvuldig uit tot ze weer helemaal klit vrij is. Het hondje draait wat zenuwachtig rond op mijn tafel. Ik negeer het onrustige gedrag en pak haar op om in bad te zetten. Daar draait ze zonder enige schaamte een drol die ook best eens uit een Newfoundlander had kunnen komen.

“Verdomme”, denk ik. Maar ik laat de hond niet merken dat ik ervan baal. Terwijl ik 70 meter papier van uit de dispenser van de muur trek, zie ik dat de drol in de vorm van een hartje is neergelegd. Ik grinnik bij mijn gedachte dat dit typisch iets is waar mensen denken dat een poedel voor staat. Truttig. Een truttig hart gepoept door een poedel die Pluche genoemd wordt.

Ik ruim de hartvormige viezigheid op en was de hond met een shampoo voor spierwitte vachten. Ik knip haar nagels en maak haar tanden schoon. Na het föhnen knip ik de hond in een fris jeugd model zoals wij trimmers dat noemen en voorzie haar van een lekker luchtje.

“Zo , jij bent weer als nieuw Wammes, ik ga je baasjes bellen ” zeg ik terwijl ik haar een kus geef op haar kaal geschoren neusje. Door de telefoon hoor ik een afgesloten toon. Terwijl ik het nummer opnieuw intoets omdat ik denk dat ik het de eerste keer wellicht niet goed heb gedaan, zie ik Wammes door zijn achterpootjes zakken. Ik druk de telefoon uit en zeg: “Nee Wammes! Foei!”

Wammes trekt zich er niets van aan en maakt haar nieuwe creatie rustig af. “Oh , ik zie het al, je hebt er een streep onder gezet ” lach ik als ik naar de kaarsrechte streep poep kijk. Ik gooi de streep in een plastic zakje en doe het warme pakketje in de afvalbak.

“06109….5..0 “, mompel ik in mezelf en wacht of de telefoon nu wel overgaat. “Pro-du-liet”, klinkt het deuntje in mijn oor. Verdorie, dit nummer bestaat niet. Met de positieve gedachte dat ze mij misschien per ongeluk een verkeerd nummer hebben gegeven begin ik vast aan mijn volgende hond. Wanneer ik tegen zessen ’s avonds alles heb opgeruimd en schoongemaakt en Wammes ligt te slapen op het grijze kussen naast de deur, kijk ik naar het opgegeven adres van het echtpaar, Zuiderkeerkring. Dat adres bestaat echt weet ik uit mijn hoofd. Ik pak het kussen met Wammes erop en leg ze op de bijrijders stoel van mijn auto. In het donker tuur ik naar de voordeuren van de huizen aan de Zuiderkeerkring.

“Verdomme , wat hebben weinig mensen een duidelijk huisnummer”, denk ik.

“Ah , hier moet het zijn. Er brandt licht gelukkig.”

Ik zal die mensen weleens flink de waarheid zeggen , denk ik terwijl ik op de zwarte plastic bel druk met een ‘nee-nee’ sticker eronder. Een jonge blonde vrouw doet open en kijkt me vriendelijk aan.

“Goedenavond, ik ben op zoek naar naar meneer of mevrouw Kramer “, zeg ik kortaf. “Kramer?, dat zegt mij helemaal niets hoor”, antwoordt ze verward. “Heeft iemand in dit huis een wit poedeltje?”, vroeg ik vervolgens. “Nee, wij hebben helemaal geen hond. ” “Iemand bij u in de straat dan ?”, probeer ik in een laatste wanhopige poging. “Nee sorry, ik kan u niet helpen. ”

In de auto ligt Wammes rustig te slapen. Ik besluit haar wakker te maken en door de straat te gaan lopen. Ze moet vast plassen en wellicht herkent ze haar eigen huis wel. Wammes plast een keer en reageert op geen enkele woning. Ze lijkt blij te zijn dat ze met een lege blaas weer verder mag slapen in de auto. “Wat nu te doen “, denk ik.

Ik wil haar wel hebben maar ik heb zo een vermoeden dat mijn man dat geen goed idee vindt aangezien we al drie honden hebben daar waar hij 1 hond eigenlijk al voldoende vond. Na een kort telefoontje naar mijn man wordt mijn vermoeden direct bevestigd met een ; “Nee Sas, echt niet. Ik wil het niet hebben. En zeg me niet dat dit een slechte smoes is hè, want je wilde altijd al een witte poedel. “Mag ze vannacht wel blijven ?”, vraag ik nog voorzichtig maar de verbinding werd verbroken. “Shit Wammes, this is not our lucky day”, en ik rijd naar het dichtstbijzijnde asiel.

“Dat is dan 85 euro”, zegt het meisje achter de balie op een toon waaruit blijkt dat ze mijn verhaal niet gelooft. Het hondje blijkt niet gechipt dus we kunnen de eigenaren niet achterhalen op deze manier. Ik moet afstandskosten betalen. Ik overhandig haar het geld en het mooi geknipte poedeltje en voel mij teleurgesteld dat ik niet geloofd word. De dag omzet viel vandaag erg tegen met het verlies van de 85 euro en het gemiste geld voor het knippen van het poedeltje. Om nog niet te spreken over alle tijd die dit geintje mij gekost heeft.

Twee weken later staat er een nieuwe klant in mijn salon met een Labradoodle. Ik bekijk de man van top tot teen. Het lijkt een normale, vriendelijke, goed verzorgde man van middelbare leeftijd.

“Mag ik uw naam en adresgegevens noteren?”, vraag ik. “Natuurlijk, ik woon hier twee straten verderop aan de Loevestein.” “Dat is heel dichtbij”, glimlach ik wat argwanend. “Het wordt 85 euro meneer. Aangezien u een nieuwe klant bent moet u vooruit betalen.” “Je hebt groot gelijk meissie”, zegt hij terwijl hij 85 euro gepast uit zijn portefeuille haalt. “Er lopen tegenwoordig meer gekken rond dan dat er vastzitten”, zegt hij. Hij aait zijn doodle en roept; “Tot straks “, terwijl hij de deur achter zich dicht trekt.

Deze man is inmiddels al jaren vaste klant en mag wat mij betreft zijn portefeuille best een keer vergeten tegenwoordig.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Het snuitje is goed gelukt!

Trimsalon

Het hebben van een hondentrimsalon blijft leuk. Soms vind ik het onvoorstelbaar dat ik al dertien jaar lange wachtlijsten heb en zo ontzettend veel trouwe klanten. Als mensen door omstandigheden naar een collega moeten uitwijken komen ze altijd weer bij me terug en of het nu uit beleefdheid is of niet, ze zeggen altijd dat het bij mij het beste voelt.

Ik heb helaas niet de arrogantie in me dat ik daadwerkelijk voel dat dat zo is. Ik vind al mijn collega’s mooi werk afleveren. Het enige waar ik van overtuigd ben is dat ik van al mijn honden-klantjes hou met heel mijn hart en dat ik ze nooit met opzet pijn zou doen of bang zal maken. Ik vind dat belangrijker dan een kaarsrechte vacht knippen namelijk.

Ik heb mijn hondjes het liefst los op de tafel, ik geef geen commando’s die ze wellicht van huis uit niet eens hebben meegekregen en ik zal nooit andermans hond slaan. Na het knippen lopen ze vrij rond in mijn salon en kunnen ze kijken of hun baasje er al aankomt. Wellicht is dit het geheim waardoor ik altijd overvol zit.

Honderden klanten hebben de afgelopen jaren cadeautjes meegebracht voor mij, en mij bejubeld om mijn knipkunsten. Ik heb al die complimenten altijd weggewuifd, want zo goed ben ik nu ook weer niet. Ik doe gewoon mijn werk zoals ik denk dat het goed is en op een manier die voor de hond het allerprettigste is. Dus nee, ik pluk geen vachten die nog niet rijp zijn, ook al deed de vorige trimster dat wel altijd. Zodra het haar te vast zit en de hond aangeeft dit niet prettig te vinden is mijn grens bereikt. Een vervilte labradoodle ontklitten omdat de klant hem niet kort wil doe ik ook niet, zo een hond stikt van de pijn als je dat gaat doen. Daar halen we soms met pijn en moeite net aan een drie millimeter scheerkop onderdoor, en zelfs dan zijn we uren bezig om ze te verlossen van zo een strak vachtje.

Als je tegen mensen zegt dat je hondentrimster bent en aangeeft dat dit soms best een heel zwaar beroep is, kijken ze je vaak heel suf aan.

“Hoezo zwaar? Je trekt er toch gewoon een tondeuse overheen en klaar? Lijkt mij niet zo ingewikkeld.”

Vroeger gingen mijn haren omhoog staan van dit soort opmerkingen, maar na dertien jaar heb ik het afgeleerd om mijn beroep te verdedigen. De meeste mensen hebben nu eenmaal geen idee wat het werk precies inhoudt en hoe moeilijk het eigenlijk is. Het is ook niet voor niets dat je, als je tenminste echt goed wil worden, twee jaar naar school moet om dit vak te leren. De theoretische kennis is pittig en maakt dat je na het bestuderen van alle stof bijna een dierenarts bent. Ook het uit het hoofd leren van duizenden rassen hoort erbij, vachtkennis, huidziektes, dieren-EHBO en ga zo maar door. Het is niet enkel het kaalscheren van een hond.

Er wordt over het algemeen gedacht dat wanneer je een hond kaal moet scheren van een klant dat dit een snel klusje is, maar niets is minder waar. Kaalscheren is nog een vak apart. De rug is niet zo moeilijk, maar al die plekjes tussen de pootjes, de liezen, de oren. Het vergt toch een heleboel handigheid want een ongelukje is zo gemaakt. Dat niet iedereen zomaar even een hond knipt of zelfs kaalscheert is me pasgeleden weer eens heel mooi duidelijk geworden.

Omdat ik ziek was en mijn wachtlijst daardoor nog langer opgelopen was besloot een klant van mij haar hondje zelf maar onder handen te nemen. Het resultaat heeft mijn dag gemaakt destijds. Uren heb ik jankend over de tafel heen gehangen van het lachen samen met mijn man, toen ze mij de foto stuurde. Ze was er uren mee bezig geweest. Ze stuurde mij een tekst erbij: “Ik wist niet zo goed wat ik met de oren moest doen, maar het snuitje is goed gelukt.”

Ik kan deze tekst niet eens hardop uitspreken zonder te lachen. Nogmaals dankjewel Amy voor je fantastische foto. Mensen zoals jij geven het leven kleur. Je bent een wereldgriet met een gouden hart en een fantastisch hondje waar je altijd supergoed voor zorgt. Het feit dat hij er iets anders uitziet dan hoe hij normaal bij mij de trimsalon uitliep doet er niet toe. Het hondje heeft geen klitten meer, er komt nergens bloed uit en hij is gelukkig.

En bovenal heeft het mijn trimmers ego goed opgekrikt want zo zie je maar dat het trimmen van honden echt een ambacht is waar je voor geleerd moet hebben.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Van het paard en de spin

Paardsas

“Mooie beesten maar ik ben er bang voor.”

In de berm naast het fietspad staat een vrouw van ongeveer mijn leeftijd met haar fiets in haar hand, die ze angstvallig tussen haar en het fietspad houdt. Ik passeer haar met mijn tweeënhalf jarige paardje die voor het eerst van haar leven op de openbare weg loopt. Alles is nog eng in haar ogen. Aan mij de schone taak om haar vertrouwen te geven.

Een paard is een vluchtdier, wat ik ergens echt een ontzettende rare beslissing vind van moeder natuur. Het zijn dieren die met gemak vijfhonderd kilo wegen en met een flinke trap iemand van het leven kunnen beroven. De meeste paarden lijken dit niet te beseffen. Als je met een plastic zakje in de lucht zwaait nemen de meeste al gauw de benen. Ooit zei iemand dat paarden maar voor twee dingen bang zijn, voor dingen die bewegen en voor dingen die niet bewegen.

Ondanks dat ik al zesendertig jaar intensief met paarden in aanraking ben, kan ik mij hier nog dagelijks om verwonderen. Ik herinner mij de dag dat ik op de rug van een paard zat op een rustige polderweg. Wij werden ingehaald door een tractor met een enorme aanhanger erachter, het ding rammelde enorm. Maar mijn paard vertrok geen spier. Hij stond op een boerderij en werd dagelijks geconfronteerd met tractoren. Heel relaxt liepen wij verder. Ik genoot van het uitgestrekte vergezicht en zoog de koude lucht diep mijn longen in. Net toen ik uit wilde ademen sprong mijn paard vanuit het niets een meter de lucht in. Eenmaal in de lucht maakte hij behendig een halve draai en liep vervolgens al snuivend achteruit bijna het slootje in.

Ik probeerde hem te kalmeren en aaide hem zacht over zijn hals, het werkte, hij stond stil, maar snoof nog steeds in de richting van een… papieren zakdoekje. Het zakdoekje was door iemand in de berm gegooid en wapperde er vrolijk op los. Mijn paard vond dit vergeleken bij de tractor echt een groot gevaar en besloot ver bij het wapperende bermspookje uit de buurt te blijven. Met een enorme sprong dook hij erlangs om vervolgens zijn weg weer te vervolgen alsof er niets aan de hand was.

Sommige mensen noemen dit aanstellerij maar dit is hoe de natuur het bedacht heeft en ik vind het ondanks de risico’s die het met zich meebrengt nog steeds erg mooi om te zien hoe de blauwprint in hun hoofd het werk doet. Ik glimlach naar de vrouw met haar fiets in de berm en vertel haar dat dit nog maar een baby is die alles nog moet leren.

“Ik vind het een enorme baby”, lacht de vrouw.

Uit voorzorg loop ik tussen de vrouw en mijn paardje in en zodra we precies naast haar staan houd ik even halt.

“Mag ik vragen waar u het meest bang voor bent als u een paard ziet?”, vraag ik haar.

Even denkt ze na terwijl ze toekijkt hoe ik mijn baby over het hoofd aai, ze draagt een pluche roze halster wat haar nog aaibaarder maakt dan ze al is.

“Dat ik een trap krijg”, antwoordt de vrouw dan resoluut.

We raken aan de praat en tijdens ons gesprek probeer ik haar uit te leggen waarom een paard je zou willen trappen. Want over het algemeen genomen wil een paard waar je een band mee hebt jou helemaal geen pijn doen. Blijkbaar deed mijn praatje de vrouw goed en kreeg ik haar zo ver dat ze haar fiets op de standaard zette en bij mij en mijn baby kwam staan. Kraambezoek noemden wij het gekscherend. De vrouw aaide voorzichtig haar hals en uiteindelijk zelfs haar zachte neus. Het ontroerde haar.

“Ik ben nog nooit zo dichtbij een paard geweest”, zei ze zachtjes.

Mijn baby pikte haar emotie feilloos op en bleef verdacht rustig. Het was een mooi moment. De vrouw zwaaide en met een enorme glimlach verdween ze de polder in. Ik was trots op mijn baby.

“ ‘S Avonds vertelde ik dit verhaal aan een vriendin van mij. Ze reageerde zoals ze zo vaak reageert.

“Mensen moeten niet zo spastisch doen, een paard doet niks. Zolang je maar kenbaar maakt dat jij de baas bent en je hem niet laat schrikken”, was haar genuanceerde antwoord. Ik glimlachte alleen maar en wist dat ik hier niets meer aan toe hoefde te voegen want als zij een standpunt had ingenomen dan kreeg je haar er niet meer vanaf.

Ze is het prototype stoere meid, flinke tatoeages, grote mond, spijkerbroek en kistjes eronder. Ze laat zich door niets of niemand de les lezen. Je houdt van haar of je haat haar, er zit niets tussen. Terwijl ze nog even door preekt over hoe dom mensen omgaan met paarden, ze heeft trouwens zelf geen paard, gilt ze vanuit de keuken of ik ook een biertje wil.

“Nee, even niet voor mij. Doe mij maar een theetje.”

Ze steekt haar hoofd om de hoek van de deur en gilt: “Thee is voor zieke mensen, je mankeert toch niks lijpo.”

Ze verdwijnt weer in de keuken en komt terug met twee flesjes bier. Ik glimlach en zet het flesje aan mijn mond. Gek wijf, denk ik.

“Angsthazen, dat zijn het”, vervolgt ze haar verhaal.

“Ach, zeg ik, soms is het niet zo verkeerd om bang te zijn. Ik bedoel, het zijn toch enorm grote dieren en als je ze niet begrijpt kan het echt je dood worden ook. Bij paarden geldt een belangrijke regel: “Angst is gezond, paniek is dodelijk”.

“Heb jij soms verf op loodbasis ingeademd ofzo?”, zegt ze verontwaardigd.

“Angst is helemaal niet goed, angst is een slechte raadgever”, ze kijkt erbij alsof ze G.I.-Jane is.

“Whatever”, zeg ik terwijl ik het laatste slokje bier naar binnen giet.

“Nog eentje?”, vraagt ze.

“Geef mij de lijken even aan.” Ze doelt op de lege flesjes bier. Ik geef ze aan haar en ze loopt ermee naar de keuken.

“Hoppa, de lijken gaan de kist in”, hoor ik haar zeggen terwijl ik het geluid hoor van bierflesjes die in een krat gezet worden. En dan ineens hoor ik een ongelofelijk gil, gevolgd door het geluid van uiteenspattend glas op de grond.

“Godverdomme!”, schreeuwt mijn vriendin en komt al struikelend de keuken uitrennen. Ze ziet eruit alsof ze zojuist een geest heeft gezien. Geschrokken sta ik op en vraag wat er is. Ik leg mijn hand op haar schouder en kijk in de richting van de keuken of er niet toevallig een inbreker staat ofzo. Mijn vriendin klopt tegen haar natte broekspijp.

“Wat is er gebeurd?”, vraag ik nogmaals.

“Er zit een fucking spin op mijn aanrecht”, zegt ze dan alsof ze pisnijdig is.

“Een spin?, doe je daarom zo hysterisch?”

“Niet zomaar een spin idioot, het is een fucking Tarantula!”

Ik loop de keuken in op zoek naar de vogelspin die blijkbaar zo groot moet zijn dat hij mijn stoere vriendin de stuipen op het lijf kan jagen. Ik speur het aanrecht af en zie niets. Oh wacht, ja daar, op het vaatdoekje zit een spin. Nou ja, spin, sjezus, je mag het bijna geen spin noemen. Net zo groot als het topje van mijn duim.

“Zie je hem?”, klinkt het vanachter de gesloten deur.

“Ja ik heb hem gepakt”, zeg ik triomfantelijk.

“Mooi, maak hem dood!”

“Echt niet, ik zet hem buiten.”

“Het raam van mijn keuken kan niet open”, klinkt ze paniekerig.

“Dan ga ik door de voordeur.”

Ik duw de keukendeur open met het spinnetje in mijn hand. Mijn vriendin rent weg en duikt op de bank. Ik loop naar haar toe en laat het spinnetje zien aan haar, ze gilt dat ik op moet rotten. Ik kan het niet laten om te zeggen dat ze niet zo spastisch moet doen en dat ze hem moet laten merken dat zij de baas is en hem niet moet laten schrikken.  Ik herken in haar ineens de vrouw met de fiets in de berm en besluit tegenover haar op de salontafel te gaan zitten met een gesloten hand waar het spinnetje zich bevindt. Ik zweer op mijn leven dat ik hem niet naar haar toe zal gooien en nadat ik op alles wat me lief is heb moeten zweren, kalmeert ze eindelijk een beetje. Ze gaat recht tegenover mij zitten en ik vraag haar waar ze het meest bang voor is op dit moment. Ze komt nergens op. Ik open mijn hand en laat het beestje zien, ze trekt een vies gezicht maar kijkt er toch naar.

“Man, wat is hij groot”, zegt ze vol afschuw.

“Nou he? Echt een beest van een dier, als je goed kijkt zie je de tatoeages zitten”, zeg ik vermaakt. Ze kijkt me even kwaad aan maar schiet dan in de lach. “Trut”, zegt ze.

“Open je hand”, zeg ik. “Dan geef ik hem aan jou, jij sluit dan je hand zachtjes en dan brengen we hem samen naar buiten.”

Het duurde ongeveer twintig minuten voordat ik haar ervan overtuigd had dat ze niet gebeten zou worden, maar ze deed het! Met een gilletje liet ze hem uit haar hand ontsnappen en even sprong ze wild op en neer om daarna aan een stuk ”Oh mijn God, oh mijn God” te roepen.

“Ik heb nog nooit een spin vastgehouden”, jubelt ze.

Ze omhelst me en gaat nog twee biertjes halen om haar overwinning te vieren. En ik, ik voel me blij dat ik vandaag twee mensen zoiets moois heb kunnen laten voelen als vertrouwen.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: De mooiste woorden die ik ooit gehoord heb

Storyteller

 

Mijn schoonvader is afgelopen dinsdag overleden. Hij woonde al enige jaren in een verzorgingstehuis. Menig mens krijgt een naar gevoel bij het woord verzorgingstehuis, en ik was daar een van, maar dit verzorgingstehuis heeft mij een ander gevoel gegeven.

Mijn schoonvader leed aan de ziekte van Alzheimer. Sommige dagen was hij redelijk helder en kon je nog wel een aardig gesprekje met hem voeren, op andere dagen kwam er geen zinnig woord uit. Vroeger was hij niet altijd even lief en behoorlijk autoritair, de laatste tijd was hij voornamelijk heel emotioneel. Dat was best rot om te zien. En eng ook. Het idee dat je dit kan overkomen vind ik persoonlijk een nare gedachte, en het maakt dat ik nog meer van mijn leven wil genieten nu dit nog mogelijk is. Hoe afgezaagd het ook klinkt, maar je moet echt nu leven.

De dag voor het overlijden van mijn schoonvader at ik mee in het tehuis. Hij leefde in een soort woongroep met een gezamenlijke woonkamer en keuken. Wel had hij een eigen slaapkamer. Het verzorgend personeel van zijn unit is fantastisch, geweldige vrouwen die geboren lijken te zijn voor dit werk. Ze hebben mijn schoonvader geweldig verzorgd en ook voor ons waren ze buitengewoon vriendelijk.

Terwijl twee vrouwen in de open keuken andijviestamppot aan het klaarmaken waren stond ik in de woonkamer wat om mij heen te kijken. Aan de lange tafel zaten zes mensen te wachten totdat de borden opgediend zouden worden. Een van de mannen aan tafel was een vriend van mijn schoonvader, hij zag er intens verdrietig uit, wetende dat zijn maatje in dit huis niet lang meer te leven had. Hij wilde niet meer naar mijn schoonvader toe, hij kan namelijk niet omgaan met veranderingen door zijn ziekte, dan raakt hij in paniek. Verder zag je niets aan hem. Als je niet beter zou weten dan had je je afgevraagd wat deze nog betrekkelijk jonge man hier deed.

Na het eten kreeg een grijze kleine mevrouw met extreem fleurige kleding een tabletje aangereikt van de verpleging. Ze keek naar het witte tabletje in haar hand en vroeg argwanend waar het voor was. “Dat is een tabletje voor uw suiker”, zei de verpleegster vriendelijk en glimlachte geruststellend naar haar. “Suiker? Heb ik suiker?”, vroeg de bejaarde vrouw hoogst verbaasd. Ik grinnikte zachtjes. De vrouw die het eten had gekookt stond naast me en fluisterde zachtjes in mijn oor dat ze iedere avond weer verbaasd is dat ze suiker heeft. De bejaarde vrouw keek nog even met een diepe frons in haar voorhoofd naar het tabletje en stopte het toen met haar rimpelige handen in haar mond, ze nam een slokje water en zei toen bloedserieus: “Wanneer hebben jullie dat ontdekt dan? Ik kan me niet herinneren dat iemand ernaar gekeken heeft.”

De verpleegster legde haar kalm en vriendelijk uit wanneer en hoe dit allemaal ontdekt was. De vrouw boog zich toen voorover en riep hard naar de man aan de andere kant van de tafel; “Ik heb suiker.” “Beter dan zout”, antwoordde hij zonder op te kijken van zijn bakje blanke vla. De vrouw haalde haar schouders op en zei dat dat inderdaad erger zou zijn.

In het midden van de tafel zat een vrouw in een rolstoel. Ze had nog geen woord gezegd en keek wat schichtig om haar heen. Ze leek heel oud, als ik het zou moeten schatten zou ik denken dat ze al ruim in de negentig zou zijn. De fleurig geklede bejaarde vrouw vroeg aan mij of ik de moeder was van de vrouw in de rolstoel. Ik moest hardop lachen maar verder lachte er niemand. Alle bejaarde hoofden keken afwachtend naar mij. “Nee, ik ben niet haar moeder, ik ben de schoondochter van Bul.” Ik keek even naar de vriend van mijn schoonvader die bij het horen van zijn naam direct somber naar zijn lepel bleef kijken. “Oh jammer dat je niet haar moeder bent want ze is nieuw hier en ze voelt zich nog niet zo op haar gemak. Ik dacht dat je haar misschien wel zou kunnen zeggen dat het hier leuk is.” De oude vrouw in de rolstoel keek me eventjes aan en leek ook teleurgesteld dat ik haar moeder niet was. Het hele tafereel ontroerde me.

De volgende dag overleed mijn schoonvader en samen met mijn man, schoonzus en de kinderen hebben wij hem gewassen, aangekleed en in zijn kist gelegd. Het was emotioneel maar toch ook mooi om dit met zijn allen te doen. De kist werd afgesloten en met zijn allen rolden wij hem de slaapkamer uit richting het woongedeelte. Daar vormden zijn medebewoners een erehaag, ze waren doodstil. Via de grote aula van het tehuis reden we hem naar buiten. Zowel bewoners als personeel als bezoekers stonden allemaal op terwijl wij met de kist langsliepen. Mijn hart brak. Zoveel oude mensen die de kist nakeken en hoogstwaarschijnlijk dachten aan hun eigen einde. Dit tehuis is voor iedere bewoner een eindpunt, ooit dragen ze je naar buiten.

Ik huilde voor mijn man, maar ook voor alle mensen die hier zo respectvol langs de zijlijn stonden. Oude mensen die hun leven geleefd hebben, die geen grote toekomstplannen meer hebben, die om de zoveel tijd afscheid nemen van een medebewoner. Op dat moment voelde ik plotseling spijt, spijt dat ik hier niet dagelijks naartoe ben gereden. Gewoon om even een kopje thee te drinken, en een verhaaltje te vertellen, even zijn hand vasthouden om te laten weten dat hij niet alleen is.

Wij hebben het druk en als iemand erg in de war is voelt het soms zinloos om ernaast te gaan zitten, maar nu pas besef ik dat dat nooit zinloos is. De tijd gaat zo snel, voor je het weet is je leven voorbij of dat van iemand waar je om geeft. Ik voel me rot. Rot omdat wij altijd zoveel moeten. Werken, haasten, vliegen, stress. En de dingen die echt belangrijk zijn schieten er daardoor vaak bij in. Ik heb uren doorgebracht op Facebook, die tijd had ik ook kunnen besteden aan mijn schoonvader, of aan mijn kinderen. Ik heb direct al mijn social media verwijderd. Ik wil niet meer de hele tijd boven mijn schermpje hangen om te zien wat honderden mensen doen waar ik uiteindelijk weinig mee op heb. Of me ergeren aan tientallen goedbedoelde adviezen.

Ik heb in het verzorgingstehuis de beste raad ooit gekregen van een hoogbejaarde man. Hij zag mij en mijn gezin en pakte mijn hand, hij keek me aan met oude lieve ogen en zei; “Het enige wat belangrijk is in dit leven, is dat je je eigen tuintje onderhoudt.”

En dat zijn de mooiste woorden die ik ooit gehoord heb.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Oudjes lekken urine ;-)

Zwemsas

Het is een doodnormale maandagmorgen wanneer het mij eindelijk weer eens gelukt is om om klokslag zeven uur in de ochtend in het plaatselijke zwembad te zijn. Tot negen uur kunnen er banen gezwommen worden onder de noemer ‘vroege vogels’.

Er zijn maar bar weinig mensen onder de zestig jaar te vinden deze ochtend, waarschijnlijk omdat die liever om half acht ’s avonds zwemmen bij de ‘dode vogels’ die op maandagochtend nog in een soort coma liggen van het weekend. Ik heb het deze ochtend gehaald, mijn alarmklok speelde wel veertien keer dat irritante deuntje af voordat ik mijzelf had toegesproken dat ik me straks heel lekker zou voelen als ik geweest was. In mijn rechterhand had ik mijn bikini vastgehouden en ik vroeg mij af of ik die nog wel zou passen, in de linker had ik mijn zwarte degelijke badpak vast, comfortabel en vooral seksloos, ja die ging het worden deze ochtend.

Ik duw tegen de lange plastic flappen die de kleedruimtes scheiden van de doucheruimte en de warme chloorlucht slaat me in het gezicht. Onder de douches wemelt het van de oude mensen, ze lijken elkaar allemaal te kennen en slaan geen acht op mijn aanwezigheid. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik ook niet heel erg opval aangezien alle dames hetzelfde badpak dragen als ik. Na een snelle douche loop ik alsof ik op een straat loop die glad is van de ijzel naar het grote wedstrijdbad. De badmeester zit hoog in zijn uitkijkstoel met een grote beker koffie en glimlacht naar me. Hij is ongeveer net zo oud als ik en lijkt opgelucht te zijn dat er tenminste een iemand is die statistisch gezien meer kans heeft het zwembad ook weer zelfstandig te verlaten.

Wanneer ik langs zijn stoel loop wenkt hij mij dichterbij te komen. Vertwijfeld stap ik tot onder het laddertje en kijk vragend omhoog. De badmeester buigt zich voorover en zegt zachtjes: “Voor die oudjes blijven zwemmen hè? Want die lekken urine.”

Ik schiet in de lach en bedank hem voor de tip. Eenmaal in het water blijkt het nog lang niet mee te vallen om voor de zogenoemde oudjes uit te blijven zwemmen, volgens mij zwemt deze groep hier al twintig jaar iedere ochtend. Daar waar ik soms even uitpuf aan de kant zwemmen hun al babbelend met hun badmutsjes op stug door. Ik moet ervan glimlachen.

Wanneer het uur bijna erop zit en ik vijftig banen heb weten te trekken, roept de badmeester plotseling dat “we ”nog even met zijn allen gaan aqua joggen in het bad ernaast. Alle oudjes zwemmen naar de trapjes en al opgewonden babbelend haasten ze zich naar het naastgelegen bad. Ik twijfel of ik hier wel aan mee moet doen, ik pas er niet echt tussen, maar de badmeester wenkt alweer. Ik besluit me niet te laten kennen en sluit mij aan bij deze enthousiaste bejaardenclub.

Ik sta naast een man en een vrouw waarvan ik denk dat ze een echtpaar zijn, ik gok dat ze ongeveer tachtig jaar oud zijn. Ze springen en lachen erop los en ik geniet van deze aanblik. Wat doen wij soms denigrerend naar oudere mensen, waarom eigenlijk? Deze mensen hebben echt veel lol met elkaar en zijn hartstikke fit. De badmeester staat op de kant en tilt om de beurt zijn knieën hoog in de lucht; “Eén , twee, één twee, kom op nog eventjes volhouden”, schreeuwt hij.

Ik moet mijn uiterste best doen om dit vol te houden, het is best zwaar. Dan hoor ik de man naast mij tegen zijn vrouw zeggen: “Oh sorry, stond ik op je teen? Of op je borst?”

Ik moet deze opmerking heel even tot me door laten dringen maar zodra ik besef dat hij dit werkelijk zei tegen zijn vrouw schiet ik zo hard in de lach dat ik bijna verdrink. Ik huppel naar de kant en hoest en lach tegelijk. De vrouw van de man is mij achterna gekomen en klopt liefdevol op mijn rug. Wanneer ik weer normaal adem kan halen en ik de tranen van mijn wangen heb geveegd, bedank ik haar.

“Sorry dat ik zo hard moest lachen hoor mevrouw, maar uw man is echt heel grappig”, hik ik nog na. De vrouw kijkt met haar lieve blauwe ogen terug en zegt: “Wij zijn al tweeënzestig jaar getrouwd, en dat kan alleen maar als je humor hebt.”

Ik kan niet anders dan knikken en kijk haar na wanneer ze weer terug hopst door het water naar haar man, die zijn duim naar me opsteekt terwijl zijn knieën nog steeds om en om omhoog gaan. Ik schiet nogmaals in de lach en op dat moment roept de badmeester heel hard; “Dames en heren springen jullie allemaal maar wat naar voren want ik denk dat die mevrouw wellicht wat urine aan het verliezen is daar.”

De hele groep lacht en als een soort motorisch gestoorde watervogels hopsen ze allemaal in een ander ritme richting de badmeester. Thuis zie ik dat ik een appje heb van mijn man; “En? Voel je je lekkerder nu je gezwommen hebt?”

Ik glimlach naar het scherm en typ terug; Het was een heerlijke ochtend, ik heb genoten van al deze leuke en lieve mensen, ik denk dat ik morgen weer ga. Waarop mijn man allemaal poppetjes terugstuurt die janken van het lachen en zegt dat hij zo van mijn humor houdt.

Ik hoop dat wij het hiermee dan ook zullen redden tot onze tweeënzestigste trouwdag.

 

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Het fluistert zachtjes ‘Amen’

sakiaj

Angst om te falen, faalangst. Wat een raar woord eigenlijk. Ik zit in mijn keuken aan de grote houten tafel, het geluid van de vaatwasser overstemt zo af en toe het stemmetje in mijn hoofd die mij weer probeert wijs te maken dat wat ik allemaal doe niet goed genoeg is.

Faalangst, klinkt het wederom in mijn hoofd. Een tweede stem bemoeit zich ermee; jij hebt helemaal geen angst om te falen, je weet bij voorbaat al dat het niet goed genoeg is, alleen kom je er steeds mee weg. Het kan nooit lang meer duren voordat iedereen gaat inzien dat je helemaal niet goed bent in honden knippen, en ook verhaaltjes schrijven is niet je sterkste punt. Ik slaak een diepe zucht en voel pijn achter mijn borstkas.

Waarom zijn die stemmetjes in mijn hoofd toch zo onaardig? Ik word er zo verdrietig van. Met mijn kaken te strak op elkaar wrijf ik met mijn wijsvinger over mijn bovenlip terwijl de boodschap van de stemmetjes langzaam wegsterft in mijn hoofd. Daar is mijn stoere stem weer, ik zat al met smart te wachten totdat deze zich weer aan zou dienen.

Kom op Sas, doe niet zo truttig, jij kan alles wat je wil, praat jezelf toch niet zo naar beneden.

Het komt door de zoveelste vervelende email die ik kreeg van een voor mij onbekend persoon over mijn verhaaltjespagina. Ik zal de details hier niet gaan noemen maar het kwam erop neer dat ik beter anoniem in een hutje op de hei mijn dagen kon gaan slijten want niemand zat op mijn belevenissen te wachten. Het bericht kwam hard aan. En hoewel er altijd mensen zullen zijn die mij vertellen dat je hier boven moet staan, dat het erbij hoort, en dat het vast een verschrikkelijk mens zal zijn met ernstig sekstekort, raakt het me toch.

Zie je wel, deze persoon heeft je door, klinkt het in mijn hoofd. Je bent erbij, je kan niets!

Met mijn vingers heb ik boven het toetsenbord gehangen om de hele pagina te verwijderen maar ik besloot hiermee te wachten en een rondje te gaan wandelen. Het was ontzettend guur weer, het miezerde en er stond een krachtige wind die maakte dat de miezer aanvoelde als duizenden spelden die in je gezicht prikten. Ik dook wat dieper in mijn sjaal en stak mijn handen in mijn zakken en liep, de ene voet voor de ander, en zonder op te kijken liep ik kilometers weg. De stemmen in mijn hoofd waren stil, er kwam niets. Het enige wat ik hoorde was mijn eigen hijgende ademhaling.

Toen ik weer opkeek en met mijn vingers mijn neus afveegde zag ik dat ik voor de begraafplaats stond. Het was er stil, de parkeerplaats die normaal redelijk vol staat als ik hier langs kom, was helemaal leeg. Het toegangshek stond wagenwijd open.

Langzaam wandelde ik het terrein op. Het heeft altijd iets lugubers een begraafplaats vind ik, zeker met dit nare weer. Ik schuifel langs de graven. Bij sommige staan er verankerde vazen met verse bloemen, ze wapperen in de wind. Duidelijk nog niet vergeten. Ik lees de teksten op de stenen en verwonder mij om bijna alles. Om de man die precies honderd jaar wist te worden, om het kindje wat niet eens een jaar oud heeft mogen worden en om het graf uit 1982 waar nog steeds verse bloemen op liggen. Ik zie de graven van mensen die nooit de veertig hebben gehaald, terwijl dan het leven pas schijnt te beginnen.

Op een groen geschilderd houten bankje neem ik plaats en adem eens diep in en uit. Wat een heerlijke rust hier. Ik heb mijn telefoon thuisgelaten en dat voelt bevrijdend, en het feit dat ik de enige zichtbare levende persoon ben in deze tuin geeft mij een vredig gevoel.

Ik staar naar de graven voor mij en vraag mij af hoeveel dromen hier begraven liggen. Hoeveel mensen met fantastische ideeën, met talenten die ze misschien nog niet eens ontwikkeld hadden maar die al genetisch bepaald waren? Hoeveel mensen liggen hier met een gouden hart? Die alles voor een ander over hadden maar nu onder een kale, slecht onderhouden steen liggen? Hoeveel mensen liggen hier die gezegend waren met eigenschappen waarmee ze de wereld een stuk mooier hadden kunnen maken?

Die jongen daar, vierendertig jaar geworden, misschien droomde hij ervan om ooit een eigen sportschool te beginnen, en misschien werd hem net iets te vaak gezegd dat die scholen als paddenstoelen uit de grond schieten en hij dus geen kans maakte. Dat meisje daar, tweeëntwintig jaar geworden. Misschien droomde zij van een carrière als model maar hebben mensen haar belachelijk gemaakt omdat ze nooit knap genoeg daarvoor zou zijn? En die man van honderd, wellicht droomde hij van een nieuwe liefde aangezien hij het een stuk langer had volgehouden dan zijn vrouw die al ruim dertig jaar op hem lag te wachten. En misschien hebben mensen hem wel uitgelachen omdat hij daar nu eenmaal veel te oud voor was. En het kindje wat net geen jaar oud mocht worden, wie weet had zij wel de persoon geweest die de wereld wist te veroveren met haar geweldige uitvinding.

We zullen het nooit weten.

Ik sta op van het bankje, veeg een traan van mijn wang en wandel naar de uitgang. In deze plaats ben ik geboren, naar alle waarschijnlijkheid sterf ik hier ook en kom ik hier ooit te liggen. Tot die tijd ga ik doen wat ik denk te kunnen. Ik knip met alle liefde die ik in mij heb de honden van andere mensen, er zullen ongetwijfeld honderden mensen zijn die dit beter en mooier kunnen, maar ook ik doe mijn werk naar eer en geweten. En één ding weet ik zeker, als het mijn hond was zou ik hem ook naar mij brengen.

En ook mijn verhalen blijf ik opschrijven. Natuurlijk ben ik geen Harry Mulisch maar ik heb plezier in het schrijven en al is er maar één iemand die het leuk vindt om mijn verhaaltjes te lezen dan is het het al waard.

Ik hoop namelijk wanneer het mijn tijd is en er aarde over mijn kist gestort wordt dat mijn ambities niet met mij mee begraven zijn, maar dat ik het geprobeerd heb, en dan maakt het mij niet uit of mijn graf onderhouden wordt of niet, dan heb ik tenminste gedaan wat ik zelf wilde.

Ik hoor nog maar een stemmetje in mijn hoofd, het fluistert zachtjes; “Amen”.

Samen met Saskia Jansen Storyteller: Anticlimax met drie keer de woordwaarde

jansen

“Het is heerlijk om vrijgezel te zijn. Ik moet er niet meer aan denken om ooit nog met een man samen te leven. Het alleen zijn bevalt me veel te goed. Ik hoef met niemand rekening te houden, nee hoor, aan mijn lijf geen polonaise meer”.

Ik staar met open mond naar een vriendin van mij die zonder adem te halen deze woorden over mij heen spuugt. Wanneer ze uiteindelijk haar mond houdt, kijkt ze me strak aan. Ik weet niet wat ik hierop moet antwoorden. Eigenlijk weet ik het wel, maar ik hou wijselijk mijn lippen stijf op elkaar. Tegen een vriendin hoor je eerlijk te kunnen zijn maar in dit geval zie ik er het nut niet van in om haar te zeggen dat ik deze uitspraken nogal opvallend vind aangezien zij stad en land lijkt af te struinen op zoek naar wat mannelijke aandacht.

Soms vind ik het onvoorstelbaar dat uitgerekend zij nog vrijgezel is. Ze heeft een prachtig figuur, schitterend lang blond haar en ze is financieel heel onafhankelijk. Daarbij komt dat ze nog maar net de dertig gepasseerd is, geen kinderen heeft en ook niet de wens heeft om deze ooit te krijgen. Toch lijkt er voor haar geen geschikte man te bestaan. Ze heeft wel vriendjes gehad, stuk voor stuk blaaskaken, van het type foute man.

Iedere keer moest ik aanhoren dat dit de ware was, om vervolgens na weken niets van haar te hebben vernomen, te horen te krijgen dat de beste man alweer gevlogen was. De redenen waarom het niets werd waren er in overvloed. Te depressief, te lui, te agressief, te kleine piemel, te weinig inhoud, te saai, te druk, te aanwezig, drankprobleem, seksverslaafd, onbetrouwbaar of getrouwd. Na de ware nummer tachtig gaf ze aan te accepteren dat ze de rest van haar leven alleen zou blijven. Want wie heeft er nou eigenlijk een man nodig had ze nonchalant gezegd.

Ik heb alles braaf beaamd en dacht dat ze dan nu wel gewoon voor zichzelf zou gaan leven, een nieuwe opleiding zou gaan volgen of een nieuwe hobby zou gaan zoeken. Niets bleek minder waar. Ze bleef steevast van donderdag tot en met zondag iedere kroeg afstruinen in kleding die je enkel nog zag bij het televisieprogramma ‘Hotter than my daughter’. Om steevast alleen en gedesillusioneerd weer thuis te komen in een leeg huis. De leuke mannen waren op volgens haar.

“Misschien moet je de leuke mannen ook niet in de kroeg zoeken”, had ik haar voorzichtig toegespeeld.

“Nee? Waar dan?”, antwoordde ze geïrriteerd.

“Ga op een sport, of wordt vrijwilliger achter een bar bij een voetbalvereniging, daar wemelt het van de mannen.”

Ze had heftig nee geschud om vervolgens weer haar ingestudeerde verhaaltje af te steken over hoe heerlijk het leven alleen is. In gedachte zat ik ’s avonds thuis te bedenken of ik niet iemand ken die bij haar zou passen, maar er schoot me niets te binnen. En wat zou ik eigenlijk voor haar op zoek gaan? Ik zuchtte eens diep en besloot op tijd naar bed te gaan.

Na een heerlijke warme douche lag ik onder mijn frisgewassen dekbed met mijn iPhone in mijn handen. Het WhatsApp-icoontje gaf een rode stip aan, ik had een bericht. Het was mijn moeder.

“Speel jij geen Wordfeud meer?”, vroeg ze.

Wordfeud, scrabble maar dan op de computer. Jaren geleden speelde ik dit zo vaak dat ik al mijn andere verplichtingen liet verslonzen. Destijds had ik de app verwijderd omdat ik amper nog aan slapen toekwam. Ik appte mijn moeder terug dat ik het weer eens zou downloaden. Ik speelde een spel met mijn moeder en zat er direct weer in, wat een heerlijk spel. Net toen het lekker ging stuurde mijn moeder via Wordfeud een bericht dat ze ging slapen. Teleurgesteld staarde ik naar het scherm, ik had verder geen andere spelers. Maar Wordfeud heeft een hele mooie optie waarmee je onbekende spelers kunt uitnodigen voor een spel. Ik drukte op de knop en binnen een minuut had de computer een tegenstander gevonden die ook bereid was om ’s avonds laat nog een spelletje te spelen. Voor de zekerheid drukte ik nog tien keer op de knop zodat ik een hele lijst met tegenspelers had.

De meest vreemde gebruikersnamen stonden in mijn scherm, sommige hadden een foto, andere niet. Binnen twintig minuten brandden er meerdere rode icoontjes op mijn scherm. Sommige tegenspelers wilde een gesprek starten via het spel. Ik opende de bovenste.

“Hallo lekker meisje”, stond er. Ik klikte het bericht weg en klikte door naar de volgende berichten.

“Nog laat wakker”, had iemand ingetypt. Ik reageerde met: ’Ja nog even een lekker potje Wordfeud in mijn bed.”

“Mmm. In bed? Ben je naakt?”

Stomverbaasd scrolde ik zo door alle berichten. Er was niet een fatsoenlijk bericht bij. Alle berichten waren seksueel getint of tenminste een zetje in die richting. Ik klikte ieder spel weg waar dit soort berichten bij stonden. Vrouwen haakten bij mij af, die waren blijkbaar juist wel op zoek naar de mannen met andere bedoelingen dan een paar woordjes neerleggen. Iedere avond zocht ik naar nieuwe spelers en iedere avond kreeg ik tientallen berichten. Ik besloot op een iemand in te gaan om te zien hoe dat in zijn werk gaat.

Het bleek nog erger te zijn dan ik dacht.

“Hey sexy, nog laat wakker.”

“Hallo, ja ik kan niet slapen.”

“Ben je opgewonden?”

“Nou behoorlijk”, ik wachtte even met op verzenden drukken, maar deed het toch.

“Geil, ben je nat?”

“Ja heel erg”, ik moest hardop lachen om deze rare gewaarwording. Alsof ik hier opgewonden van zou worden.

“Hoe zie je eruit”, stuurde de vreemdeling

“Lang, blond met grote borsten”, typte ik geamuseerd in.

“Precies mijn type, wil je mijn telefoonnummer, dan kunnen we misschien wat afspreken”.

“Ja is goed”.

Het 06-nummer kwam in beeld en stomverbaasd klikte ik het spel weg. En dit was geen lucky shot, het hele Wordfeud blijkt een grote datingsite te zijn. Ongelofelijk. Na een week met verbazing en soms afschuw alle berichten te hebben gelezen heb ik mijn vriendin hierover geïnformeerd.

“Vergeet die voetbalkantine, je moet Wordfeud gaan spelen”.

“Ik hou niet van spelletjes”, was haar verveelde antwoord.

Na wat aandringen zou ze de app toch downloaden maar, verzekerde ze mij, dit was niets voor haar. Er gingen een paar dagen voorbij waarin ik niet meer aan mijn vriendin of Wordfeud had gedacht. Tot mijn vriendin plotseling voor mijn deur stond. Met rode wangen van opwinding kwam ze al babbelend binnen.

“Oh mijn God, Sas, ik heb de ware gevonden. Deze keer is het echt anders. Deze man is geweldig. We houden allebei van precies dezelfde dingen. Het klikt echt enorm goed. Ik ben zo blij.”

Haar gezicht staat kinderlijk gelukkig wanneer ze mij dit alles vertelt.

“Ok, leuk. Waar heb je hem ontmoet?’, wil ik weten.

“Oh, ik heb hem nog niet ontmoet. Maar daar komt binnenkort verandering in”.

Met opgetrokken wenkbrauwen kijk ik haar aan.

“Hoe ben je dan met deze man in contact gekomen?”, terwijl ik deze vraag stel denk ik plotseling aan Wordfeud.

“Nou, ik ben dat spelletje van jou gaan doen en had een profielfoto geplaatst, je weet wel, die van mij op Ibiza, in die witte bikini, waar ik zo bruin was. Ik had enkel nog maar het woord ‘de ’neergelegd en toen begon hij tegen mij te praten, het was echt fantastisch.”

“Hoe heet hij?”

“Zijn profielnaam is stud’68, maar ik heb zijn 06-nummer gekregen en hij heet Hans.

“Hoe oud is Hans”, wil ik weten.

“Oh dat heb ik nog niet gevraagd eigenlijk maar ik denk dat hij uit 1968 komt denk je ook niet Sas?’

“Achtenveertig dus ongeveer”, zeg ik terwijl ik het snel probeer uit te rekenen.

“Ja maar dat is prima joh, ik ben eenendertig maar dat is tegenwoordig toch heel normaal?”

“Pas maar op”, waarschuw ik haar alsof ik haar moeder ben. “Het internet zit vol met rare types”.

Maar ze was niet te stoppen, de klik die ze voelde met deze man was echt volgens haar en volgende week zouden ze elkaar gaan zien. Precies een week later stond ze weer voor de deur. Haar gezicht stond ernstig. Ik zette een kopje thee voor haar en aan de keukentafel bleef het verdacht stil. Geen enthousiast geratel.

“Nou vertel, hoe was het met de stud?’, vraag ik ongeduldig.

De beste man bleek inderdaad Hans te heten en ook over ’68 had hij niet gelogen. Hans bleek een gepensioneerd wiskundeleraar te zijn van achtenzestig jaar oud met een enorm hoog libido. Helaas voor Hans heeft mijn vriendin geen voorliefde voor mannen die even oud zijn als haar vader, en had ze al na drie minuten het cafeetje waar ze afgesproken hadden, rennend verlaten.

“Wat een anticlimax”, zuchtte ze terwijl ze in haar theeglas bleef staren.

“Mooi scrabblewoord, anticlimax”, zei ik. “Zeker met drie keer de woordwaarde.”